Actuele uitspraken rechtbank Rotterdam

Door te klikken op onderstaande link krijgt u toegang tot de op rechtspraak.nl. gepubliceerde actuele uitspraken van de rechtbank Rotterdam op het gebied van civiel recht (arbeidsrecht, personen- en familierecht en verbintenissenrecht):

Rechtbank Rotterdam / civiele uitspraken op rechtspraak.nl

[bron: rechtspraak.nl]

 

 

Hoge Raad over billijke vergoeding

In twee recente uitspraken laat de Hoge Raad zich uit over de billijke vergoeding bij ontslagzaken. In beide gevallen betreft het verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De eerste zaak gaat om een ontbinding op verzoek van de werknemer (Zinzia Zorggroep/werknemer). In de tweede zaak vraagt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een al dan niet arbeidsongeschikte werknemer (Securitas/werknemer). De Hoge Raad laat zich uit over de door de rechter te bezigen motivatie, de verschuldigdheid en omvang van de billijke vergoeding.

In de zaak Zinzia Zorggroep/werknemer beticht de werkgever haar werknemer ten onrechte van een aantal zaken en stelt de werknemer meteen voor het blok; zelf ontslag nemen of een intensief verbetertraject. De werknemer vraagt de rechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden met een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter wijst Euro 70.000,– aan billijke vergoeding toe. In beroep vernietigt het hof deze beslissing en wijst zij Euro 25.000,– toe.

De Hoge Raad krijgt de klacht voorgelegd dat het hof haar beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd. De Hoge Raad verwijst in haar uitspraak eerst naar haar eerdere beslissing waarin zij een aantal gezichtspunten over de billijke vergoeding heeft geformuleerd (New Hairstyle; ECLI:NL:HR:2017:1187). De Hoge Raad overweegt: “… dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. In …[New Hairstyle]… is geoordeeld dat de billijke vergoeding geen punitief doel heeft. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid.” Vervolgens bevestigt de Hoge Raad dat het gerechtshof heeft voldaan aan haar motiveringsplicht over de hoogte van de billijke vergoeding. Zij overweegt: “Daarbij is van belang dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar zijn aard moeilijk laat motiveren.” Het hof behoefde niet in te gaan op (de afwijking van) het door de kantonrechter vastgestelde bedrag van de billijke vergoeding. De Hoge Raad: “Het hof heeft […] kunnen volstaan met het vaststellen van het door het hof passend geachte bedrag van de billijke vergoeding op grond van de daartoe in zijn beschikking in aanmerking genomen omstandigheden.”.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:HR:2018:878]

 

In de zaak Securitas/werknemer is de werknemer van mening dat hij ongeschikt is om arbeid te verrichten. Hiervoor baseert de werknemer zich op zijn bedrijfsarts en (na een voor de werknemer ongunstig deskundigenoordeel van het UWV) een oordeel van een medisch adviesbureau. De werkgever daarentegen meent dat de werknemer wel kan werken. De werkgever baseert zich op haar arbo-arts en het deskundigenoordeel van het UWV. Op verzoek van de werkgever ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van de werknemer. In hoger beroep vecht de werknemer dit aan, waarbij hij herstel van zijn arbeidsovereenkomst vraagt of toekenning van Euro 50.000,– aan billijke vergoeding in het geval het gerechtshof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst juist acht. In hoger beroep wijst het hof beide verzoeken af. Aan de Hoge Raad wordt de klacht voorgelegd dat het hof een keuze had moeten maken tussen herstel van de arbeidsovereenkomst of toekenning van een billijke vergoeding.

De Hoge Raad meent van niet: het wetsartikel “bepaalt dat de rechter de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Volgens de wettekst bestaat dus geen verplichting voor de rechter op dit puntDaarmee heeft de rechter dus ook de bevoegdheid om […] geen billijke vergoeding toe te kennen.” Als de rechter beslist om een billijke vergoeding toe te kennen als alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst, betrekt de rechter “…de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst… Die gevolgen worden naar hun aard mede bepaald door […] de ‘waarde’ die de arbeidsovereenkomst voor de werknemer had. Daarnaast dient de appelrechter […] ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Een van die omstandigheden is de (mate van) eventuele verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever dan wel het ontbreken daarvan. Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat ook de (overige) gezichtspunten, genoemd [New Hairstyle], bij het vaststellen van een billijke vergoeding toepassing vinden.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:HR:2018:875]

 

Beide uitspraken geven een verdere invulling van de vraag hoe de rechter om moet gaan met de billijke vergoeding. Van belang blijft dat de rechter zijn uitspraken inhoudelijk goed motiveert. Waar het gaat om de omvang van de billijke vergoeding stelt de Hoge Raad geen extreme eisen aan de motivering. In hoger beroep hoeft de rechter niet te motiveren waarom zij afwijkt van het oordeel van de voorgaande rechter. De rechter is niet verplicht om een billijke vergoeding toe te wijzen als zij herstel van de arbeidsovereenkomst afwijst. Voor de hoogte van een billijke vergoeding zijn de gezichtspunten van de uitspraak New Hairstyle bepalend naast de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst en de overige omstandigheden van het geval.

 

 

Zaken doen (met het buitenland)

Bedrijven die zaken doen met het buitenland beschikken in ieder geval over een getekende overeenkomst en algemene voorwaarden die toepasselijk zijn verklaard, nietwaar? Nou, nee, niet altijd en dit geldt ook voor advocaten. Loopt alles zoals het hoort te gaan, dan is er geen probleem. Maar, juist bij een probleem is het goed om terug te kunnen vallen op schriftelijk bevestigde afspraken en op toepasselijk verklaarde voorwaarden.

De advocaat in deze uitspraak van de rechtbank Rotterdam had voor zijn werkzaamheden een bedrag van Euro 70.000,– gedeclareerd aan een Kroatisch bedrijf. Dit bedrijf gaf echter niet thuis en de Rotterdamse advocaat begon een incassoprocedure bij de rechtbank. Het Kroatische bedrijf verweerde zich vervolgens met de stelling dat de Rotterdamse rechter niet bevoegd was om over het geschil te oordelen; afspraken waren hierover niet gemaakt. De advocaat kon zich alleen beroepen op een keuze voor de Rotterdamse rechtbank in de algemene voorwaarden en een standaardalinea onder zijn e-mails, waarin was vermeld dat de Rotterdamse rechtbank bevoegd is.

De rechtbank overwoog dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn (want niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst van toepassing verklaard) en dat de standaardalinea onder zijn e-mails hierom evenmin bevoegdheid scheppen. Dat betekent dat de advocaat nu maar moet hopen dat de wet hem helpt. Maar, gelukkig is daar weer Europese regelgeving. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel Ibis-Vo). Van belang is dat de rechtbank bij haar beoordeling niet alleen kijkt naar de stellingen van de Rotterdamse advocaat, maar ook naar de stellingen van zijn Kroatische tegenpartij, alsmede de feiten en omstandigheden van de zaak zelf. Met andere woorden; de eisende partij kan stellingen innemen als grondslag voor de bevoegdheid, maar de rechtbank kijkt hier doorheen. Zij beoordeelt zelf wat haar bevoegdheid schept. In deze zaak wordt stapsgewijs nagegaan in hoeverre de rechtbank bevoegd is op grond van Brussel Ibis-Vo.

De advocaat had zich in dit geval veel werk en een extra juridisch probleem kunnen besparen door de afspraken vooraf schriftelijk vast te leggen. Hierbij wordt dan met name bepaald dat de werkzaamheden in Rotterdam worden uitgevoerd en dat de betaling voor deze werkzaamheden in Rotterdam plaatsvindt. Daarnaast blijft natuurlijk gelden dat algemene voorwaarden tijdig toepasselijk verklaard moeten worden.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:RBROT:2018:3663]

 

 

Rechter gebonden aan strenge voorwaarden bij beëindiging alimentatie

De Hoge Raad der Nederlanden (Hoge Raad) heeft in zijn uitspraak van 4 mei jl. nog eens herhaald dat de rechter gebonden is aan strenge voorwaarden bij de tussentijdse beëindiging van partneralimentatie. Eerder had het gerechtshof Den Haag (het Hof) de partneralimentatie van een vrouw tussentijds beëindigd. Het Hof verwijt de vrouw dat zij haar ex-man –die haar partneralimentatie moest betalen- niets had gemeld over een erfenis. De vrouw had verder onvoldoende gedaan om weer aan het werk te komen. Volgens het Hof was hierdoor de lotsverbondenheid tussen de vrouw en haar ex-man komen te vervallen en kon de partneralimentatie tussentijds worden beëindigd.

De Hoge Raad zet een dikke streep door de uitspraak van het Hof. Ten eerste overweegt de Hoge Raad dat het recht op partneralimentatie eindigt 12 jaar na de echtscheiding. Als de rechter de partneralimentatie eerder definitief wil beëindigen dan moet de rechter in diens uitspraak voldoen aan hoge motiveringseisen. Dit heeft het Hof nagelaten. Bovendien zegt de Hoge Raad dat het vervallen van de lotsverbondenheid geen geldige grond is voor tussentijdse beëindiging. Lotsverbondenheid tussen man en vrouw is een grond voor het ontstaan van een alimentatieverplichting, maar niet voor het voortduren van deze verplichting. Het vervallen van de lotsverbondenheid heeft dan ook geen invloed op de alimentatieverplichting, aldus de Hoge Raad.

Tenslotte overweegt de Hoge Raad nog dat de rechter bij een definitieve beëindiging van de alimentatieplicht welke niet is gebaseerd op artikel 1:160 BW, behoedzaam moet zijn om een gewijzigde partneralimentatie in te laten gaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum. De rechter moet steeds beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Ook moet de rechter van die beoordeling rekenschap te geven in zijn motivering.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:HR:2018:695]

 

 

Meenemen van weggegooide goederen; diefstal of niet?

De oude Romeinen hielden zich al bezig met de vraag hoe het meenemen van goederen die zijn weggegooid, juridisch moet worden geduid (zie ook: ‘Over prijsgeving, overdracht en afval in het goederenrecht’ van J.E. Jansen). De Rotterdamse kantonrechter boog zich over een geval waarin een medewerker van een kringloopwinkel op staande voet was ontslagen na het meenemen van twee sporttassen die eerder door een andere medewerker als afval in de vuilcontainer waren gegooid. De medewerker had de tassen uit de container gehaald en vervolgens zichtbaar bij zijn eigen tas in de werkruimte geplaatst. Enkele dagen later heeft hij de tassen tussen de middag mee naar huis genomen. Na terugkomst ‘s middags is de medewerker hierop direct aangesproken door de leiding van de kringloopwinkel. Vijf dagen na het gesprek volgt een ontslag op staande voet.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet geldig is, omdat de gemeente Rotterdam (werkgever) onnodig lang heeft gewacht met het ontslag. Ook verder ontbreekt een reden voor arbeidsrechtelijke consequenties. In de huisregels van de kringloopwinkel staat niets vermeld over het meenemen van afvalgoederen. Dit was kennelijk niet verboden, of hierover bestond geen regel. De medewerker verklaarde zelf dat hij het zonde vond om de tassen weg te gooien en dat hij zich er niet van bewust was dat het meenemen van de tassen niet was toegestaan. De rechter overweegt onder andere: “…Is dit stelen? Voormelde huisregel geeft hierover geen duidelijkheid. Zonder bijkomende omstandigheden is het ook niet voor de hand liggend om dit als diefstal aan te merken, want met het weggooien als afval wordt doorgaans afstand gedaan van eigendom en daarmee vervalt het wederrechtelijke karakter aan de gestelde gedraging. Ook het feit dat [verzoeker ] de tassen niet heimelijk mee naar huis heeft genomen, maar onder het toeziend oog van zijn collega’s in de bus heeft gezet, geeft aanleiding te veronderstellen dat hij het ongeoorloofde van zijn handelen mogelijk niet heeft ingezien…”

Voor andere arbeidsrechtelijke consequenties ziet de rechter ook geen aanleiding. De gemeente Rotterdam wordt veroordeeld om de werknemer weer te werk te stellen.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:RBROT:2018:2270]

In een vergelijkbaar geval nam een werknemer van een bioscoop achtergelaten lege PET flessen mee en leverde deze elders in voor statiegeld. Ook hier oordeelde de rechter dat een reden voor een ontslag op staande voet of andere arbeidsrechtelijke consequenties ontbrak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2161.

Bij duidelijke regels waarmee de werknemer bekend is, kan echter ontslag volgen. Een leidinggevende neemt voedingswaren mee die bestemd waren om te worden vernietigd. De werkgever heeft hierover een duidelijk en bekend beleid. De rechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst mag worden ontbonden: ECLI:NL:RBNHO:2017:9750.  Dit geldt ook bij een Bagatel-delict. Het meenemen van een pak Optimel, dat over de datum is, is voldoende reden voor ontslag op staande voet. Ook in deze zaak golden duidelijke bedrijfsregels waarmee de werknemer bekend was, maar was de werknemer in kwestie ook eerder schriftelijk gewaarschuwd: ECLI:NL:RBAMS:2017:905.

 

 

Alimentatieplicht jongmeerderjarigen

Ouders en stiefouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt; de zogenaamde jongmeerderjarigen. Bij stiefouders gaat het om de jongmeerderjarigen die behoren tot het gezin van de stiefouder. Hierbij speelt geen rol of een jongmeerderjarige zelf kan voorzien (met een baan) in zijn kosten. In 2016 heeft de Hoge Raad zich over dit laatste (‘behoeftigheid’) uitgelaten en bepaald dat bij de vaststelling van de alimentatie voor jongmeerderjarigen behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol speelt; ECLI:NL:HR:2016:2234.

In navolging van de rechtbank Rotterdam heeft het gerechtshof Den Haag onlangs een uitspraak gedaan over de alimentatieplicht van een vader voor zijn jongmeerderjarige zoon. Nadat de rechtbank een alimentatiebedrag had vastgesteld heeft vader zijn zoon onder druk gezet om dit bedrag aanzienlijk te verlagen. Het gerechtshof zet een streep door deze afspraak. Vervolgens bepaalt het hof de omvang van de te betalen alimentatie.

  • Het Hof volgt het Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, waarin staat dat voor de behoeftebepaling van studerende kinderen in het algemeen aansluiting kan worden gezocht bij de WSF-norm, waarbij de student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is, alsmede dat hij aanspraak maakt op studiefinanciering. De WSF-norm is het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud vermeerderd met het verschuldigde lesgeld.
  • Daarop brengt het hof in mindering de basisbeurs en de zorgtoeslag. Voor een aanvullende beurs komt de student niet in aanmerking.
  • Vader stelt dat de jongmeerderjarige in staat moet worden geacht een bijbaantje te zoeken en de inkomsten daarvan in mindering dienen te worden gebracht op de behoefte van de jongmeerderjarige. Het hof verwerpt dit standpunt op basis van bovenvermelde uitspraak van de Hoge Raad. Inkomsten, of de mogelijkheid om deze te verwerven spelen dus voor jongmeerderjarigen geen rol.
  • Het uiteindelijke bedrag verdeelt de rechter over de ouders van de jongen, al naar gelang hun draagkracht.
[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:GHDHA:2018:798]

 

 

Klimaatzaak tegen Shell door Milieudefensie; weet u waarvoor u tekent?

De vereniging Milieudefensie begint een juridische procedure tegen het bedrijf Shell met betrekking tot de rol van Shell in relatie tot de klimaatverandering. Milieudefensie nodigt iedereen uit om naast haar op te treden als mede-eiser(es) in een te voeren juridische procedure. In de toelichting op de website zet Milieudefensie uiteen wat de inhoud en strekking zijn van de volmacht die mede-eisers hiertoe aan de vereniging verlenen. Met de volmacht geeft u Milieudefensie verregaande toestemming om namens u te procederen in deze zaak. Zo’n volmacht is niet zonder gevolgen, zoals ik hierna uiteenzet. Weest u zich bewust van de mogelijke gevolgen van uw toestemming.

 

https://www.trouw.nl/opinie/kijk-uit-met-het-geven-van-een-volmacht-aan-milieudefensie~a89a50d2/

https://www.trouw.nl/opinie/wie-meedoet-aan-de-zaak-tegen-shell-doet-dat-tot-de-eindstreep~aa8c0837/

 

 

Tijdschrift ‘Trema’  van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak nu voor iedereen te lezen; open access.

Sinds kort is het tijdschrift ‘Trema’ voor iedereen ‘online’ te lezen. Het tijdschrift is hiermee een van de eerste Nederlandse ‘open access’ tijdschriften op het gebied van recht en rechtspraak. Het blad is een uitgave van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak en is de moeite van het lezen waard!

[bron: trema.nvvr.org/editie/2018-01/zinindelente]

 

 

Is een gastouder een werknemer (en is sprake van een arbeidsovereenkomst)?

De vraag of een gastouder een werknemer is, werd recentelijk aan de Rotterdamse kantonrechter voorgelegd. Als sprake is van werknemerschap –en hiermee van een arbeidsovereenkomst- dan komt aan de gastouder wettelijke bescherming van een werknemer ten goede: doorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming, betaalde vakantie en dergelijke. Is de gastouder geen werknemer dan vallen de afspraken onder het ‘normale’ contractenrecht en is de gastouder een zelfstandige.

In deze zaak betrof het een Rotterdamse gastouder die via bemiddeling van een bureau gastouderwerkzaamheden verrichte voor een gezin met twee kinderen. De gastouder had hiervoor een contract getekend waarin duidelijk vermeld was dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.
In opvolgende contracten was een soortgelijke bepaling opgenomen. Gastouder en ouders hebben onder andere afgesproken dat vakanties worden doorbetaald. Betaling aan de gastouder vindt plaats via het gastouderbureau, welke factureert aan de ouders. De ouders beëindigen het contract nadat de gastouder heeft aangegeven dat zij de opvangmomenten wil wijzigen en overleg niet tot een oplossing leidt. De gastouder wendt zich vervolgens tot de rechter met het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat zij recht behoudt op werknemersbescherming en doorbetaling van loon.

De Rotterdamse kantonrechter beoordeelt achtereenvolgens de bedoeling van partijen bij het aangaan en het uitvoeren van de overeenkomst. Vervolgens bekijkt de rechter de mate waarin de gastouder zelfstandig haar werkzaamheden kon uitvoeren en invullen. Is sprake van een gezagsverhouding en op welke wijze vond de beloning plaats?

De rechter oordeelt dat partijen uitdrukkelijk de bedoeling hadden om geen arbeidsovereenkomst te sluiten, gegeven de tekst in de contracten. Het stond de gastouder vrij om zelf te bepalen hoe zij invulling gaf aan haar taak, zodat geen sprake was van een gezagsverhouding. De beloning vond plaats via het gastouderbureau, aan wie gefactureerd werd en alleen de gewerkte uren werden betaald. De conclusie is dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De gastouder kan dus geen aanspraak maken op ontslagbescherming en doorbetaling van loon.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:RBROT:2017:10418]

 

 

Rotterdamse kantonrechter acht  zich bevoegd in executiegeschil

De kantonrechter te Rotterdam heeft de ontruiming van een gehuurd bedrijfspand goedgekeurd tenzij achterstallige huurtermijnen alsnog binnen een 30 dagen zouden zijn betaald. De huurder betaalt, maar de verhuurder wil het gehuurde gaan ontruimen. Hierop vraagt de huurder aan de kantonrechter te Rotterdam om de geplande ontruiming te schorsen. De kantonrechter moet beslissen in een executiegeschil.

Uitgangspunt is dat in een executiegeschil de voorzieningenrechter van de sector civiel van de rechtbank en niet de kantonrechter bevoegd is om te beslissen. De verhuurder voert dit ook aan. Als de rechter dit verweer van de verhuurder volgt neemt de kantonrechter geen beslissing. De kantonrechter overweegt in haar vonnis echter dat discussie bestaat welke rechter bevoegd is in een executiegeschil. Om partijen duidelijkheid te geven acht de rechter zich bevoegd om te beslissen. De beslissing valt vervolgens negatief uit voor de huurder.

De Rotterdamse Kantonrechter neemt in haar uitspraak geen expliciet standpunt in op de vraag of zij bevoegd is om te beslissen in een executiegeschil. De rechter neemt wel een beslissing “…om partijen duidelijkheid te verschaffen over de materiële vraag die hen verdeeld houdt…”. Hiermee verklaart de kantonrechter zich feitelijk bevoegd om een beslissing te nemen in een executiegeschil. Deze uitspraak biedt de mogelijkheid om in vergelijkbare kwesties executiegeschillen (mag een vonnis in een huurzaak of wellicht ook een arbeidszaak ten uitvoer worden gelegd?) aan de kantonrechter te Rotterdam voor te leggen. De gang naar de kantonrechter is goedkoper dan de gang naar de voorzieningenrechter, alleen al omdat de griffierechten bij de kantonrechter aanzienlijk lager zijn. Bovendien betaalt de gedaagde partij bij de kantonrechter geen griffierecht.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:RBROT:2018:775]

 

 

Billijke vergoeding in het arbeidsrecht; een recent onderzoek

In het geval van beëindiging van een arbeidsovereenkomst waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, kan dit consequenties hebben voor te betalen vergoedingen. Bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever kan aan de werknemer een billijke vergoeding worden toegekend. Bij ernstige verwijtbaarheid aan de kant van de werknemer, kan dit leiden tot verlies van diens aanspraak op een transitievergoeding.

In opdracht van de Minister van SZW heeft het Hugo Sinzheimer Instituut (HSI) van de Universiteit van Amsterdam een onderzoek uitgevoerd of het criterium ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’ doet wat daarmee is beoogd. Namelijk, dat alleen in uitzonderlijke gevallen aan de werknemer een billijke vergoeding wordt toegekend of de werknemer zijn recht op transitievergoeding (gedeeltelijk) verliest. Het HSI concludeert dat slechts in uitzonderlijke gevallen de rechter een billijke vergoeding aan de werknemer toekent of dat de rechter oordeelt dat de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is.

[bron: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/02/05/onderzoeksrapport-ernstig-verwijtbaar-handelen-of-nalaten-in-de-wwz]

 

 

Pensioen en echtscheiding

In de uitzending van het AVROTROS tv-programma ‘Radar’ van 5 februari jl. ging het onder andere over de verdeling van ouderdomspensioen na een scheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap. In het tv-programma waren hierover onder andere wetenschapper mr. Dr. B. Starink van de Universiteit Tilburg (Competence Centre for Pension Research) en pensioenadvocaat mr. Th. Gommer uit Tilburg aan het woord.

Gescheiden partners behoren binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheiding  / inschrijving van ontbinding van een geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand zorg te dragen voor een goede schriftelijke melding bij de pensioeninstellingen. Gebeurt dit niet, dan kan degene die tijdens het huwelijk / het geregistreerd partnerschap géén ouderdomspensioen heeft opgebouwd jegens deze instellingen géén aanspraak op pensioen geldend maken. U moet hiervoor dan aankloppen bij uw ex-partner.

Voorafgaande aan de scheiding moeten partners zich er van bewust zijn dat het ouderdomspensioen niet alleen via de standaardmanier (verevening) verdeeld behoeft te worden, maar dat dit ook op andere manieren kan gebeuren. Voor partnerpensioen gelden weer andere regels. Uw advocaat is de aangewezen persoon die hierover informatie verschaft.

 

 

Werkweigering

De Rotterdamse Kantonrechter heeft kort geleden een uitspraak gepubliceerd over werkweigering. Het betrof een werknemer die weigerde zijn werk uit te voeren. Vervolgens is deze werknemer op staande voet ontslagen. De rechter toetst of de omstandigheden waaronder de werkweigering zich voordeden, een ontslag op staande voet rechtvaardigen.

In de recent gepubliceerde uitspraak gaat het om een (waarschijnlijk in de regio Rotterdam woonachtige) werknemer van een Limburgs bedrijf die in Eindhoven op een project moet komen werken. Hieraan voorafgaand hebben werknemer en werkgever onderhandeld over de beëindiging van het arbeidscontract van de werknemer. Omdat ze er niet zijn uitgekomen blijft de arbeidsovereenkomst van kracht en wordt de werknemer geacht in Eindhoven te verschijnen. Dit doet hij niet. Na herhaaldelijke schriftelijke waarschuwingen volgt dan een ontslag op staande voet.

De kantonrechter oordeelt dat werkweigering in beginsel een geldige reden is voor een ontslag op staande voet. Of het ontslag in dit geval gerechtvaardigd is, beoordeelt de rechter aan de hand van de omstandigheden. De werknemer is meerdere malen schriftelijk gewaarschuwd en opgeroepen, maar is desondanks niet op het werk verschenen. Hiermee heeft de werkgever voldaan aan zijn waarschuwingsplicht: ECLI:NL:GHDHA:2016:1564

De opdracht om te komen werken was een redelijke opdracht, aldus de rechter. De eerdere onderhandelingen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen waren op niets uitgelopen en werkgever had vervolgens duidelijk kenbaar gemaakt dat het werk dan gewoon werd voortgezet.

De weigering van de werknemer om te komen werken was niet gerechtvaardigd. De werklocatie; in Eindhoven, oordeelt de rechter als passend. De werknemer was hiervan tijdig op de hoogte gesteld. Bovendien wordt in de inhoud van de arbeidsovereenkomst rekening gehouden met de reistijd en reiskosten. De werknemer wist bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst dat het bedrijf in Limburg gevestigd is en opdrachten uitvoert op locaties die niet in de buurt liggen. Ook de inhoud van het uit te voeren werk was passend voor de werknemer, die zelf niet duidelijk maakt waarom dit anders zou zijn.

De kantonrechter concludeert dan dat de werknemer bij voortduring zonder goede reden heeft geweigerd om te komen werken en oordeelt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:RBROT:2017:10373]

 

 

Mondelinge uitspraak direct na de mondelinge behandeling

De kantonrechter Rotterdam heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om ter zitting mondeling uitspraak te doen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het geeft de rechter de mogelijkheid om in een civiele zaak (die speelt tussen burgers en/ of bedrijven onderling) een einduitspraak te doen. De rechter behoudt nog steeds de mogelijkheid om vier weken te wachten met haar einduitspraak, maar een mondelinge einduitspraak komt de snelheid van de procedure ten goede.

Het geschil betrof een burengeschil waarbij de buren verdeeld waren over de vraag welke loodgieter een gezamenlijke lekkage zou moeten verhelpen.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:RBROT:2017:10143]

Het is niet zo dat deze bevoegdheid aan de rechter een vrijbrief verschaft om zo maar wat te roepen. Ook de rechter moet zich aan de wet houden en de regels toepassen. In onderstaande uitspraak van het gerechtshof Den Haag wordt een Rotterdamse kinderrechter flink op de vingers getikt. Het hof geeft in haar uitspraak duidelijk de criteria aan waar aan moet worden voldaan. Ook rechters maken fouten. Een en ander heeft voor het oordeel van het gerechtshof geen consequenties, omdat het hof haar overwegingen vervat in een aantal ‘obiter dicta’: een aantal overwegingen ten overvloede [bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:GHDHA:2018:577].

De Hoge Raad heeft onlangs ook een inhoudelijke uitspraak gedaan over mondelinge uitspraken: [bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:HR:2018:650].

 

Dit zijn recent gepubliceerde artikelen. Oudere artikelen zijn verwijderd ten behoeve van de toegankelijkheid.