Actuele uitspraken rechtbank Rotterdam

Door te klikken op onderstaande link krijgt u toegang tot de op rechtspraak.nl. gepubliceerde actuele uitspraken van de rechtbank Rotterdam op het gebied van civiel recht (arbeidsrecht, personen- en familierecht en verbintenissenrecht):

Rechtbank Rotterdam / civiele uitspraken op rechtspraak.nl

[bron: rechtspraak.nl]

 

 

  • Omgang tussen ouder en kind is een fundamenteel mensenrecht

Na een scheiding of verbreking van een samenleving zijn ouders verplicht om omgang tussen het kind en de niet-verzorgende ouder mogelijk te maken. Niet alleen ouders zijn verplicht om omgang met de andere ouder mogelijk te maken, ook een instelling waar het kind verblijft is hiertoe gehouden. In twee recente uitspraken heeft het Gerechtshof Den Haag (de rechter in hoger beroep voor de arrondissementen Den Haag en Rotterdam) dit nog eens zeer duidelijk benadrukt.

In de eerste zaak gaat het om een vader die geen gezag heeft over zijn minderjarige kind. De rechtbank heeft het verzoek om een omgangsregeling afgewezen. Het gerechtshof is echter heel duidelijk over de uitgangspunten van het recht op omgang. Het gerechtshof: De Hoge Raad heeft bepaald dat het uitgangspunt is dat een minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het  Burgerlijk Wetboek en, wat het kind aangaat, ook door het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op enige in het Burgerlijk Wetboek limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust volgens het Burgerlijk Wetboek de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91), (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

De tweede zaak waarin het gerechtshof Den Haag zich duidelijk uitspreekt, betreft omgang tussen de ouder (de moeder) en een door de overheid uit huis geplaatst minderjarige kind wat in een instelling verblijft. Ook hier is de rechter meer dan duidelijk. Het gerechtshof: ouders(s) en kind hebben recht op omgang met elkaar. Op grond van het EVRM en het IVRK rust op de overheid en daarmee op de instelling een positieve verplichting ervoor zorg te dragen dat het familieleven zoveel als mogelijk gehandhaafd blijft. Deze positieve verplichting leidt ertoe dat alle voorbereidende maatregelen getroffen moeten worden om contact tussen ouder en het kind mogelijk te maken. Bovendien dient voortvarend te worden opgetreden, aangezien tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de relatie tussen ouder en het kind. Waar staten een grote vrijheid hebben in kinderbeschermingszaken, hebben zij juist een grote verantwoordelijkheid tot het bevorderen van contact tussen kinderen en hun ouders. Nadat een kind uit huis is geplaatst, rust er een grote verantwoordelijkheid op een staat teneinde het bezoekrecht van een ouder met het kind te waarborgen. (EHRM 29 januari 2013, nr. 25704/11 Lombardo t. Italië) (EHRM 17 juli 2014, nr. 19315/11, EHRC 2014/256, m.nt. M. Tuinman en P. Montanus (T./Tsjechië).

[bron:rechtspraak.nl/ ECLI:NL:GHDHA:2018:2549 en ECLI:NL:GHDHA:2018:2546]

 

 

  • Rechter geeft toestemming voor inenting minderjarig kind

Het wil nogal eens voorkomen dat ouders van minderjarige kinderen onderling van mening verschillen over wat goed is voor hun kinderen. In het uiterste geval kunnen ouders de rechter vragen om vervangende toestemming te geven voor een besluit aangaande de minderjarige kinderen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om verhuizing, afgifte van een paspoort, maar ook om inenting. De rechtbank heeft zich hierover recent uitgesproken.

De zaak

Een gescheiden ouderpaar verschilt van mening over de inenting van hun minderjarige kind. Moeder wenst geen inenting, vader wel (hij vraagt toestemming voor deelname van het kind aan het rijksvaccinatieprogramma). Volgens moeder is het meer in het belang van het kind dat zij nog twee jaar borstvoeding ontvangt. Dat beschermt haar veel beter tegen ziektes. Naar de overtuiging van moeder brengt het deelnemen aan het vaccinatieprogramma juist risico’s voor de gezondheid van het kind met zich mee. De moeder beroept zich op informatie van de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken. De ouders komen er niet uit en vader vraagt de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen om het kind te laten deelnamen aan het rijksvaccinatieprogramma.

De rechtbank is heel duidelijk in haar oordeel. Het rijksvaccinatieprogramma heeft als doel (jonge) kinderen te beschermen tegen schadelijke ziekten. Daarom is dit programma in het belang van het kind. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gevoerde overheidsbeleid door medici breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid steunt en kinderen daaraan laat deelnemen. Daaraan doet niet af dat er ook deskundigen zijn die daar kritisch tegenover staan. Het laten vaccineren van het kind volgens het rijksvaccinatieprogramma is het meest in haar belang. Over de gezondheidsrisico’s stelt de rechter dat het bekend is dat er bijwerkingen kunnen ontstaan, maar er is niet gesteld of gebleken dat het kind meer risico loopt dan een ander kind. De rechtbank verleent de man vervangende toestemming tot deelname aan het rijksvaccinatieprogramma.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:RBAMS:2018:5697]

Naschrift

Geschillen over inenting worden vaker voorgelegd aan de rechter. Doorgaans staat de rechter toe dat een minderjarig kind deelneemt aan het rijksvaccinatieprogramma. De oudste mij bekende uitspraak dateert van 2004. Hierin heeft het gerechtshof ook een beslissing genomen in een soortgelijke kwestie. Daar ging het toen om inenting tegen –onder andere- Meningokokken. In die kwestie beriep de weigerende moeder zich eveneens op informatie van de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken. Het gerechtshof volgt het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, volgens welke het zowel in het belang van het kind, als in het algemeen belang is, om de kinderen te laten inenten.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL: GHARN:2004:AR8769].

In een in 2009 aan de rechtbank Groningen voorgelegde zaak weigerde de rechtbank toestemming. Daar ging het om inenting tegen de Mexicaanse griep. De rechtbank oordeelde in dat geval dat vaccinatie niet noodzakelijk, noch nodig is.

 [bron:rechtspraak.nl. / ECLI:NL:RBGRO:2009:BK7384]

 

 

  • Gedeeltelijke transitievergoeding in bijzondere gevallen toegestaan

De wet kent verschillende manieren om een arbeidsovereenkomst te beëindigen: door opzegging, met wederzijds goedvinden, ontslag en ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het is echter niet mogelijk om een arbeidsovereenkomst gedeeltelijk te beëindigen. Een arbeidsovereenkomst kan alleen in haar geheel worden opgezegd of ontbonden. De Hoge Raad heeft onlangs bepaald dat een gedeeltelijke beëindiging wel is toegestaan in bijzondere gevallen. Het is volgens de Hoge Raad dan ook mogelijk om een gedeeltelijke aanspraak op een transitievergoeding te verkrijgen.

De zaak

De arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte leerkracht wordt na 104 weken arbeidsongeschiktheid beëindigd. De leerkracht was aangesteld voor 0,99 gedeelte van een volledige betrekking en was uitgevallen voor dit gehele gedeelte. De leerkracht is wel inzetbaar voor 50%. Op basis van cao-verplichtingen besluiten de leerkracht en diens werkgever vervolgens om een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan, waarbij de arbeidsduur wordt beperkt tot 50%. Werkgever en werknemer regelen dit vervolgens zo dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst wordt beëindigd (via een akte van ontslag) en met een akte van benoeming een nieuwe 50% arbeidsovereenkomst wordt aangegaan. De leraar wil hierna een transitievergoeding ontvangen; zijn oorspronkelijke arbeidsovereenkomst is immers geëindigd. “nee” Zegt de werkgever; “wij hebben de arbeidsovereenkomst alleen aangepast, zoals afgesproken. Van een beëindiging was geen sprake”.

De Hoge Raad overweegt dat de arbeidsovereenkomst inderdaad is aangepast. Deze aanpassing komt echter feitelijk neer op een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer heeft dan ook recht op een gedeeltelijke transitievergoeding, aldus de Hoge Raad. Hoewel de wet een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een gedeeltelijke aanspraak op transitievergoeding niet kent, staat de Hoge Raad een uitzondering toe voor bijzondere gevallen. Zo’n bijzonder geval doet zich voor als, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer. Hierbij valt te denken aan het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aan blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Hieraan wordt toegevoegd dat het behoort te gaan om een vermindering van de arbeidstijd met ten minste twintig procent; bij een structurele vermindering van de arbeidstijd om een vermindering die naar redelijke verwachting blijvend zal zijn. De gedeeltelijke transitievergoeding dient berekend te worden naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidstijd en uitgaande van het loon waarop voorheen aanspraak bestond.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:HR:2018:1617]

 

 

  • Geen deskundigenverklaring over arbeidsongeschiktheid bij kort geding over betaling loon

Het komt voor dat een werknemer die arbeidsongeschikt is, geen loon ontvangt omdat de werkgever van mening is dat de werknemer niet ziek is (en dus kan werken). Een arbeidsongeschikte werknemer die dan een loonvordering instelt, moet ook een deskundigenverklaring van het UWV aan de rechter te overleggen. Dit hoeft echter niet in werkelijk spoedeisende situaties waarin niet gewacht kan worden op een deskundigenverklaring.

De zaak

Zo’n kwestie als hierboven beschreven, deed zich recentelijk voor. Een arbeidsongeschikte werknemer eiste doorbetaling van loon in een kort geding, maar overlegde geen verklaring van het UWV. De werkgever voerde verweer en bestreed dat de werknemer arbeidsongeschikt was. De Hoge Raad zag zich gesteld voor de vraag of de uitzondering (geen deskundigenverklaring bij werkelijk spoedeisende situaties) ook geldt in kort geding.

De Hoge Raad bevestigt dat een deskundigenverklaring van het UWV niet overgelegd behoeft te worden in loonvorderingsprocedures van arbeidsongeschikte werknemers in kort geding of in een spoedeisende procedure bij de kantonrechter. Tegelijkertijd zegt de Hoge Raad, dat het aan de rechter is om te beslissen of overlegging van een deskundigenverklaring wenselijk is. De behandelende rechter kan namelijk van mening zijn dat een deskundigenverklaring noodzakelijk is. Het is de rechter dan niet te verboden om de werknemer eerst te verwijzen naar het UWV voor een deskundigenverklaring.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:HR:2018:1673]

 

 

  • Rotterdamse rechters houden spreekuur; Rotterdamse regelrechter

De rechters van de rechtbank Rotterdam houden spreekuur. Tijdens dit spreekuur kunnen bepaalde onderlinge geschillen ter beslissing voorgelegd worden aan de rechtbank. Het betreft dan laagdrempelige en eenvoudige zaken. Een advocaat komt hier niet aan te pas. Alleen als de wederpartij hiermee instemt en als de zaak hiervoor geschikt wordt geacht, buigt de rechter zich over de zaak en neemt een beslissing.

[bron: rechtspraak.nl / rotterdamse regelrechter]

 

 

  • Hoge Raad over voorlopige voorzieningen in het familierecht

Tijdens een echtscheidingsprocedure bestaat de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een voorlopige uitspraak (voorlopige voorziening) te vragen aan de rechter. De uitspraak geldt dan voor de duur van de echtscheidingsprocedure en kan betrekking hebben op bijvoorbeeld alimentatie, omgang met de kinderen of de gezamenlijke woning. Met het eindigen van de echtscheidingsprocedure vervalt ook de voorlopige voorziening die de rechter heeft uitgesproken. Deze voorlopige voorziening is een speciale regeling voor bepaalde onderwerpen, enkel bij scheidingszaken, een beperkte duur heeft, terwijl hoger beroep niet mogelijk is.

De zaak

In een aan het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep voorgelegde zaak werd gevraagd om een voorlopige uitspraak te doen over alimentatie. Eerder had de rechtbank al bepaald dat de verzoekende partij (de vrouw) op een bepaald toekomstig moment geen recht meer zou hebben op alimentatie. Tijdens de procedure voor het Hof verviel de alimentatiebeslissing van de rechtbank en nu wilde de vrouw voorkomen dat zij niet langer alimentatie zou ontvangen. De vrouw had behoefte aan alimentatie omdat zij niet genoeg inkomen kon verdienen.

Alleen vroeg de vrouw geen voorlopige voorziening bij scheidingszaken (de speciale regeling). De vrouw vroeg een –algemene- voorlopige voorziening. Deze geldt in civiele procedures (en niet speciaal voor scheidingszaken). De reden voor deze keuze was dat de scheidingsprocedure inmiddels was geëindigd. Hierdoor kon de vrouw geen beroep meer doen op speciale regeling bij scheidingszaken. Omdat de vrouw tijdens de procedure zonder alimentatie kwam te zitten, moest zij een voorlopige uitspraak vragen. De algemene voorlopige voorziening leek nu dus de beste weg, ook volgens een eerdere uitspraak van de Hoge Raad. Het gerechtshof was het hiermee eens en wees het verzoek van de vrouw toe. Ten onrechte, bleek later.

Op verzoek van het Openbaar Ministerie (O.M.) heeft de Hoge Raad de beslissing van het gerechtshof beoordeeld. Het Openbaar Ministerie ? Als ‘hoeder van de wet’ heeft het O.M. de bevoegdheid om zelfstandig beslissingen van rechters te laten toetsen door de Hoge Raad. Dit heet ‘cassatie in het belang der wet’. De beslissing van de Hoge Raad heeft geen gevolgen voor de oorspronkelijke procespartijen. Het O.M. is in dit geval van mening dat de algemene voorlopige voorziening niet is geschreven voor het verzoek van de vrouw, omdat het ging over alimentatie waarvoor de speciale regeling geldt. De vrouw kon zich niet baseren op de algemene regeling en het gerechtshof had het verzoek van de vrouw niet mogen toewijzen, aldus het O.M.

Volgens de Hoge Raad geldt in dit geval alleen de speciale regeling van voorlopige voorzieningen. De speciale regeling geldt als de echtscheidingsprocedure nog loopt. Is de echtscheidingsprocedure beëindigd, dan kan niet teruggevallen worden op de speciale regeling. Ook kan niet teruggevallen worden op de algemene regeling voor voorlopige voorzieningen. Die is hiervoor niet geschreven. Beide regelingen hebben een verschillende achtergrond en er bestaan wezenlijke verschillen in de mogelijkheden om beslissingen op grond van deze regelingen te wijzigen. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het gerechtshof.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:HR:2018:1414]

Naschrift

Aldus de les voor rechters en advocaten. Is een spoedige uitspraak over alimentatie noodzakelijk na het eindigen van een scheidingsprocedure en loopt hierover nog een procedure, dan lijkt nu de beste weg om te kiezen voor een kort geding voor een andere rechter. Dit betekent een nieuwe procedure, nieuwe kosten voor partijen en rechters. Aan de wetgever de taak om voor dit soort situaties een aanpassing in de wet maken waardoor het doel van de speciale voorlopige voorziening ook na een scheidingsprocedure bereikt kan worden.

 

 

  • Nieuwe uitvoeringsregels ontslag UWV

Vanaf 1 augustus 2018 geldt een nieuwe versie van de Uitvoeringsregels Ontslag. Het gaat om de Uitvoeringsregels Ontslag om bedrijfseconomische redenen (BE) en Ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (LAO). Deze regels zijn van toepassing bij de toetsing van bovenvermelde ontslaggronden.

Niet alleen het UWV, ook de rechter toetst of bij ontslag voldaan wordt aan de regels. Dit gebeurt als de beslissing van het UWV wordt aangevochten bij de rechter.

[bron: www.uwv.nl/werkgevers/actueel/nieuwe-versie-uitvoeringsregels-ontslag]

 

 

  • Geen verplichting betaling loon na rechtsgeldig ontslag op staande voet

Al geruime tijd bestaat er discussie over de vraag of een op staande voet ontslagen werknemer recht heeft op loon gedurende de periode dat het ontslag niet definitief is. De Hoge Raad heeft deze discussie beslecht.

Bij een ontslag op staande voet verliest de werknemer onmiddellijk zijn/ haar aanspraak op loon. Als de rechter in eerste aanleg dit ontslag vernietigt, moet het loon worden betaald. De rechter in hoger beroep, die de beslissing van de rechter in eerste aanleg beoordeelt, kan vervolgens anders beslissen en oordelen dat het ontslag terecht is gegeven. De rechter in hoger beroep mag de arbeidsovereenkomst dan alleen naar een toekomstige datum ontbinden. De consequentie is -zo werd tot nu toe aangenomen- dat recht op loon bestond voor de periode tussen de vernietiging van het ontslag door de rechter in eerste aanleg en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter in hoger beroep.

‘Nee’, zegt de Hoge Raad; is de rechter in hoger beroep van mening dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, dan zijn de gevolgen voor risico van de werknemer. Het feit dat de werknemer na zijn/ haar ontslag niet heeft gewerkt komt voor diens risico en de werknemer heeft geen recht op betaling van loon.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:HR:2018:1209]

 

 

Hoge Raad over billijke vergoeding

In twee recente uitspraken laat de Hoge Raad zich uit over de billijke vergoeding bij ontslagzaken. In beide gevallen betreft het verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

De zaak

De eerste zaak gaat om een ontbinding op verzoek van de werknemer (Zinzia Zorggroep/werknemer). In de tweede zaak vraagt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een al dan niet arbeidsongeschikte werknemer (Securitas/werknemer). De Hoge Raad laat zich uit over de door de rechter te bezigen motivatie, de verschuldigdheid en omvang van de billijke vergoeding.

In de zaak Zinzia Zorggroep/werknemer beticht de werkgever haar werknemer ten onrechte van een aantal zaken en stelt de werknemer meteen voor het blok; zelf ontslag nemen of een intensief verbetertraject. De werknemer vraagt de rechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden met een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter wijst Euro 70.000,– aan billijke vergoeding toe. In beroep vernietigt het hof deze beslissing en wijst zij Euro 25.000,– toe.

De Hoge Raad krijgt de klacht voorgelegd dat het hof haar beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd. De Hoge Raad verwijst in haar uitspraak eerst naar haar eerdere beslissing waarin zij een aantal gezichtspunten over de billijke vergoeding heeft geformuleerd (New Hairstyle; ECLI:NL:HR:2017:1187). De Hoge Raad overweegt: “… dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. In …[New Hairstyle]… is geoordeeld dat de billijke vergoeding geen punitief doel heeft. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid.” Vervolgens bevestigt de Hoge Raad dat het gerechtshof heeft voldaan aan haar motiveringsplicht over de hoogte van de billijke vergoeding. Zij overweegt: “Daarbij is van belang dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar zijn aard moeilijk laat motiveren.” Het hof behoefde niet in te gaan op (de afwijking van) het door de kantonrechter vastgestelde bedrag van de billijke vergoeding. De Hoge Raad: “Het hof heeft […] kunnen volstaan met het vaststellen van het door het hof passend geachte bedrag van de billijke vergoeding op grond van de daartoe in zijn beschikking in aanmerking genomen omstandigheden.”.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:HR:2018:878]

De tweede zaak

In de zaak Securitas/werknemer is de werknemer van mening dat hij ongeschikt is om arbeid te verrichten. Hiervoor baseert de werknemer zich op zijn bedrijfsarts en (na een voor de werknemer ongunstig deskundigenoordeel van het UWV) een oordeel van een medisch adviesbureau. De werkgever daarentegen meent dat de werknemer wel kan werken. De werkgever baseert zich op haar arbo-arts en het deskundigenoordeel van het UWV. Op verzoek van de werkgever ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van de werknemer. In hoger beroep vecht de werknemer dit aan, waarbij hij herstel van zijn arbeidsovereenkomst vraagt of toekenning van Euro 50.000,– aan billijke vergoeding in het geval het gerechtshof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst juist acht. In hoger beroep wijst het hof beide verzoeken af. Aan de Hoge Raad wordt de klacht voorgelegd dat het hof een keuze had moeten maken tussen herstel van de arbeidsovereenkomst of toekenning van een billijke vergoeding.

De Hoge Raad meent van niet: het wetsartikel “bepaalt dat de rechter de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Volgens de wettekst bestaat dus geen verplichting voor de rechter op dit puntDaarmee heeft de rechter dus ook de bevoegdheid om […] geen billijke vergoeding toe te kennen.” Als de rechter beslist om een billijke vergoeding toe te kennen als alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst, betrekt de rechter “…de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst… Die gevolgen worden naar hun aard mede bepaald door […] de ‘waarde’ die de arbeidsovereenkomst voor de werknemer had. Daarnaast dient de appelrechter […] ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Een van die omstandigheden is de (mate van) eventuele verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever dan wel het ontbreken daarvan. Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat ook de (overige) gezichtspunten, genoemd [New Hairstyle], bij het vaststellen van een billijke vergoeding toepassing vinden.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:HR:2018:875]

Achteraf

Beide uitspraken geven een verdere invulling van de vraag hoe de rechter om moet gaan met de billijke vergoeding. Van belang blijft dat de rechter zijn uitspraken inhoudelijk goed motiveert. Waar het gaat om de omvang van de billijke vergoeding stelt de Hoge Raad geen extreme eisen aan de motivering. In hoger beroep hoeft de rechter niet te motiveren waarom zij afwijkt van het oordeel van de voorgaande rechter. De rechter is niet verplicht om een billijke vergoeding toe te wijzen als zij herstel van de arbeidsovereenkomst afwijst. Voor de hoogte van een billijke vergoeding zijn de gezichtspunten van de uitspraak New Hairstyle bepalend naast de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst en de overige omstandigheden van het geval.

 

 

  • Zaken doen (met het buitenland)

Bedrijven die zaken doen met het buitenland beschikken in ieder geval over een getekende overeenkomst en algemene voorwaarden die toepasselijk zijn verklaard, nietwaar? Nou, nee, niet altijd en dit geldt ook voor advocaten. Loopt alles zoals het hoort te gaan, dan is er geen probleem. Maar, juist bij een probleem is het goed om terug te kunnen vallen op schriftelijk bevestigde afspraken en op toepasselijk verklaarde voorwaarden.

De zaak

De advocaat in deze uitspraak van de rechtbank Rotterdam had voor zijn werkzaamheden een bedrag van Euro 70.000,– gedeclareerd aan een Kroatisch bedrijf. Dit bedrijf gaf echter niet thuis en de Rotterdamse advocaat begon een incassoprocedure bij de rechtbank. Het Kroatische bedrijf verweerde zich vervolgens met de stelling dat de Rotterdamse rechter niet bevoegd was om over het geschil te oordelen; afspraken waren hierover niet gemaakt. De advocaat kon zich alleen beroepen op een keuze voor de Rotterdamse rechtbank in de algemene voorwaarden en een standaardalinea onder zijn e-mails, waarin was vermeld dat de Rotterdamse rechtbank bevoegd is

De rechtbank overwoog dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn (want niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst van toepassing verklaard) en dat de standaardalinea onder zijn e-mails hierom evenmin bevoegdheid scheppen. Dat betekent dat de advocaat nu maar moet hopen dat de wet hem helpt. Maar, gelukkig is daar weer Europese regelgeving. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel Ibis-Vo). Van belang is dat de rechtbank bij haar beoordeling niet alleen kijkt naar de stellingen van de Rotterdamse advocaat, maar ook naar de stellingen van zijn Kroatische tegenpartij, alsmede de feiten en omstandigheden van de zaak zelf. Met andere woorden; de eisende partij kan stellingen innemen als grondslag voor de bevoegdheid, maar de rechtbank kijkt hier doorheen. Zij beoordeelt zelf wat haar bevoegdheid schept. In deze zaak wordt stapsgewijs nagegaan in hoeverre de rechtbank bevoegd is op grond van Brussel Ibis-Vo.

Achteraf

De advocaat had zich in dit geval veel werk en een extra juridisch probleem kunnen besparen door de afspraken vooraf schriftelijk vast te leggen. Hierbij wordt dan met name bepaald dat de werkzaamheden in Rotterdam worden uitgevoerd en dat de betaling voor deze werkzaamheden in Rotterdam plaatsvindt. Daarnaast blijft natuurlijk gelden dat algemene voorwaarden tijdig toepasselijk verklaard moeten worden.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:RBROT:2018:3663]

 

 

  • Rechter gebonden aan strenge voorwaarden bij beëindiging alimentatie

De Hoge Raad der Nederlanden (Hoge Raad) heeft in zijn uitspraak van 4 mei jl. nog eens herhaald dat de rechter gebonden is aan strenge voorwaarden bij de tussentijdse beëindiging van partneralimentatie. Eerder had het gerechtshof Den Haag (het Hof) de partneralimentatie van een vrouw tussentijds beëindigd. Het Hof verwijt de vrouw dat zij haar ex-man –die haar partneralimentatie moest betalen- niets had gemeld over een erfenis. De vrouw had verder onvoldoende gedaan om weer aan het werk te komen. Volgens het Hof was hierdoor de lotsverbondenheid tussen de vrouw en haar ex-man komen te vervallen en kon de partneralimentatie tussentijds worden beëindigd.

De Hoge Raad zet een dikke streep door de uitspraak van het Hof. Ten eerste overweegt de Hoge Raad dat het recht op partneralimentatie eindigt 12 jaar na de echtscheiding. Als de rechter de partneralimentatie eerder definitief wil beëindigen dan moet de rechter in diens uitspraak voldoen aan hoge motiveringseisen. Dit heeft het Hof nagelaten. Bovendien zegt de Hoge Raad dat het vervallen van de lotsverbondenheid geen geldige grond is voor tussentijdse beëindiging. Lotsverbondenheid tussen man en vrouw is een grond voor het ontstaan van een alimentatieverplichting, maar niet voor het voortduren van deze verplichting. Het vervallen van de lotsverbondenheid heeft dan ook geen invloed op de alimentatieverplichting, aldus de Hoge Raad.

Tenslotte overweegt de Hoge Raad nog dat de rechter bij een definitieve beëindiging van de alimentatieplicht welke niet is gebaseerd op artikel 1:160 BW, behoedzaam moet zijn om een gewijzigde partneralimentatie in te laten gaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum. De rechter moet steeds beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Ook moet de rechter van die beoordeling rekenschap te geven in zijn motivering.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:HR:2018:695]

 

 

  • Meenemen van weggegooide goederen; diefstal of niet?

De oude Romeinen hielden zich al bezig met de vraag hoe het meenemen van goederen die zijn weggegooid, juridisch moet worden geduid (zie ook: ‘Over prijsgeving, overdracht en afval in het goederenrecht’ van J.E. Jansen).

De zaak

De Rotterdamse kantonrechter boog zich over een geval waarin een medewerker van een kringloopwinkel op staande voet was ontslagen na het meenemen van twee sporttassen die eerder door een andere medewerker als afval in de vuilcontainer waren gegooid. De medewerker had de tassen uit de container gehaald en vervolgens zichtbaar bij zijn eigen tas in de werkruimte geplaatst. Enkele dagen later heeft hij de tassen tussen de middag mee naar huis genomen. Na terugkomst ‘s middags is de medewerker hierop direct aangesproken door de leiding van de kringloopwinkel. Vijf dagen na het gesprek volgt een ontslag op staande voet.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet geldig is, omdat de gemeente Rotterdam (werkgever) onnodig lang heeft gewacht met het ontslag. Ook verder ontbreekt een reden voor arbeidsrechtelijke consequenties. In de huisregels van de kringloopwinkel staat niets vermeld over het meenemen van afvalgoederen. Dit was kennelijk niet verboden, of hierover bestond geen regel. De medewerker verklaarde zelf dat hij het zonde vond om de tassen weg te gooien en dat hij zich er niet van bewust was dat het meenemen van de tassen niet was toegestaan. De rechter overweegt onder andere: “…Is dit stelen? Voormelde huisregel geeft hierover geen duidelijkheid. Zonder bijkomende omstandigheden is het ook niet voor de hand liggend om dit als diefstal aan te merken, want met het weggooien als afval wordt doorgaans afstand gedaan van eigendom en daarmee vervalt het wederrechtelijke karakter aan de gestelde gedraging. Ook het feit dat [verzoeker ] de tassen niet heimelijk mee naar huis heeft genomen, maar onder het toeziend oog van zijn collega’s in de bus heeft gezet, geeft aanleiding te veronderstellen dat hij het ongeoorloofde van zijn handelen mogelijk niet heeft ingezien…”

Voor andere arbeidsrechtelijke consequenties ziet de rechter ook geen aanleiding. De gemeente Rotterdam wordt veroordeeld om de werknemer weer te werk te stellen.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:RBROT:2018:2270]

Vergelijkbare zaken

In een vergelijkbaar geval nam een werknemer van een bioscoop achtergelaten lege PET flessen mee en leverde deze elders in voor statiegeld. Ook hier oordeelde de rechter dat een reden voor een ontslag op staande voet of andere arbeidsrechtelijke consequenties ontbrak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2161.

Bij duidelijke regels waarmee de werknemer bekend is, kan echter ontslag volgen. Een leidinggevende neemt voedingswaren mee die bestemd waren om te worden vernietigd. De werkgever heeft hierover een duidelijk en bekend beleid. De rechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst mag worden ontbonden: ECLI:NL:RBNHO:2017:9750.  Dit geldt ook bij een Bagatel-delict. Het meenemen van een pak Optimel, dat over de datum is, is voldoende reden voor ontslag op staande voet. Ook in deze zaak golden duidelijke bedrijfsregels waarmee de werknemer bekend was, maar was de werknemer in kwestie ook eerder schriftelijk gewaarschuwd: ECLI:NL:RBAMS:2017:905.

 

 

  • Alimentatieplicht jongmeerderjarigen

Ouders en stiefouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt; de zogenaamde jongmeerderjarigen. Bij stiefouders gaat het om de jongmeerderjarigen die behoren tot het gezin van de stiefouder. Hierbij speelt geen rol of een jongmeerderjarige zelf kan voorzien (met een baan) in zijn kosten. In 2016 heeft de Hoge Raad zich over dit laatste (‘behoeftigheid’) uitgelaten en bepaald dat bij de vaststelling van de alimentatie voor jongmeerderjarigen behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol speelt; ECLI:NL:HR:2016:2234.

De zaak

In navolging van de rechtbank Rotterdam heeft het gerechtshof Den Haag onlangs een uitspraak gedaan over de alimentatieplicht van een vader voor zijn jongmeerderjarige zoon. Nadat de rechtbank een alimentatiebedrag had vastgesteld heeft vader zijn zoon onder druk gezet om dit bedrag aanzienlijk te verlagen. Het gerechtshof zet een streep door deze afspraak. Vervolgens bepaalt het hof de omvang van de te betalen alimentatie.

  • Het Hof volgt het Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, waarin staat dat voor de behoeftebepaling van studerende kinderen in het algemeen aansluiting kan worden gezocht bij de WSF-norm, waarbij de student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is, alsmede dat hij aanspraak maakt op studiefinanciering. De WSF-norm is het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud vermeerderd met het verschuldigde lesgeld.
  • Daarop brengt het hof in mindering de basisbeurs en de zorgtoeslag. Voor een aanvullende beurs komt de student niet in aanmerking.
  • Vader stelt dat de jongmeerderjarige in staat moet worden geacht een bijbaantje te zoeken en de inkomsten daarvan in mindering dienen te worden gebracht op de behoefte van de jongmeerderjarige. Het hof verwerpt dit standpunt op basis van bovenvermelde uitspraak van de Hoge Raad. Inkomsten, of de mogelijkheid om deze te verwerven spelen dus voor jongmeerderjarigen geen rol.
  • Het uiteindelijke bedrag verdeelt de rechter over de ouders van de jongen, al naar gelang hun draagkracht.
[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:GHDHA:2018:798]

 

 

  • Klimaatzaak tegen Shell door Milieudefensie; weet u waarvoor u tekent?

De vereniging Milieudefensie begint een juridische procedure tegen het bedrijf Shell met betrekking tot de rol van Shell in relatie tot de klimaatverandering. Milieudefensie nodigt iedereen uit om naast haar op te treden als mede-eiser(es) in een te voeren juridische procedure. In de toelichting op de website zet Milieudefensie uiteen wat de inhoud en strekking zijn van de volmacht die mede-eisers hiertoe aan de vereniging verlenen. Met de volmacht geeft u Milieudefensie verregaande toestemming om namens u te procederen in deze zaak. Zo’n volmacht is niet zonder gevolgen, zoals ik hierna uiteenzet.

https://www.trouw.nl/opinie/kijk-uit-met-het-geven-van-een-volmacht-aan-milieudefensie~a89a50d2/

https://www.trouw.nl/opinie/wie-meedoet-aan-de-zaak-tegen-shell-doet-dat-tot-de-eindstreep~aa8c0837/

 

 

  • Is een gastouder een werknemer (en is sprake van een arbeidsovereenkomst)?

De vraag of een gastouder een werknemer is, werd recentelijk aan de Rotterdamse kantonrechter voorgelegd. Als sprake is van werknemerschap –en hiermee van een arbeidsovereenkomst- dan komt aan de gastouder wettelijke bescherming van een werknemer ten goede: doorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming, betaalde vakantie en dergelijke. Is de gastouder geen werknemer dan vallen de afspraken onder het ‘normale’ contractenrecht en is de gastouder een zelfstandige.

De zaak

In deze zaak betrof het een Rotterdamse gastouder die via bemiddeling van een bureau gastouderwerkzaamheden verrichte voor een gezin met twee kinderen. De gastouder had hiervoor een contract getekend waarin duidelijk vermeld was dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.
In opvolgende contracten was een soortgelijke bepaling opgenomen. Gastouder en ouders hebben onder andere afgesproken dat vakanties worden doorbetaald. Betaling aan de gastouder vindt plaats via het gastouderbureau, welke factureert aan de ouders. De ouders beëindigen het contract nadat de gastouder heeft aangegeven dat zij de opvangmomenten wil wijzigen en overleg niet tot een oplossing leidt. De gastouder wendt zich vervolgens tot de rechter met het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat zij recht behoudt op werknemersbescherming en doorbetaling van loon.

De Rotterdamse kantonrechter beoordeelt achtereenvolgens de bedoeling van partijen bij het aangaan en het uitvoeren van de overeenkomst. Vervolgens bekijkt de rechter de mate waarin de gastouder zelfstandig haar werkzaamheden kon uitvoeren en invullen. Is sprake van een gezagsverhouding en op welke wijze vond de beloning plaats?

De rechter oordeelt dat partijen uitdrukkelijk de bedoeling hadden om geen arbeidsovereenkomst te sluiten, gegeven de tekst in de contracten. Het stond de gastouder vrij om zelf te bepalen hoe zij invulling gaf aan haar taak, zodat geen sprake was van een gezagsverhouding. De beloning vond plaats via het gastouderbureau, aan wie gefactureerd werd en alleen de gewerkte uren werden betaald. De conclusie is dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De gastouder kan dus geen aanspraak maken op ontslagbescherming en doorbetaling van loon.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:RBROT:2017:10418]

 

Dit zijn recent gepubliceerde artikelen. Oudere artikelen zijn verwijderd ten behoeve van de toegankelijkheid.