• Je recht halen, is straks niet meer te betalen!

Onder dit motto voert de advocatuur actie tegen het uitblijven van concrete maatregelen van de Minister voor Rechtsbescherming om het huidige systeem van rechtspraak en gefinancierde rechtshulp op korte termijn te repareren.

De toegang tot het recht is door hoge griffierechten en steeds verdere inperking van gesubsidieerde rechtshulp in gevaar. Mensen met een smalle beurs zullen straks niet meer in staat zijn hun recht te halen. De vergoedingen die advocaten krijgen voor hun werk voor rechtzoekenden die de kosten van een advocaat niet zelf kunnen betalen, zijn volstrekt ontoereikend. Het zal ertoe leiden dat advocaten dit werk niet meer kunnen doen en mensen die al een kwetsbare positie in de samenleving hebben, komen daardoor verder in de knel.

De minister richt zich intussen echter op het ontwikkelen van experimenten om in de toekomst geschillen ‘anders’ op te kunnen lossen, met de onjuiste gedachte dat de juridische weg onnodig duur en complex zou zijn. Dit, terwijl de overheid zelf de grootste veroorzaker is van juridische problemen. Dit blijkt uit eigen onderzoek van de overheid (Monitor gesubsidieerde rechtshulp 2017 / Raad voor Rechtsbijstand 2018 pag. 167). Bovendien is het een illusie om te denken dat alle juridische geschillen in onderling overleg opgelost kunnen worden. Niemand is verplicht om in overleg een juridisch geschil op te lossen. Het leidt ertoe dat de sterkste partijen altijd winnen, want deze (de overheid, bedrijven, vermogende burgers) hebben advocaten, kennis, tijd en geld om ‘hun’ recht te halen.

Goede advocaten kunnen er in een goed toegankelijk rechtsstelsel aan bijdragen dat iedereen -met of zonder inkomen- zijn recht krijgt, snel, efficiënt en betaalbaar. Advocaten dragen er aan bij dat ieder zijn recht kan krijgen en dat het recht en hiermee de maatschappij zich blijft ontwikkelen, dat blijkt al uit het arrest Lindenbaum-Cohen (zie hieronder). De rechtsstaat is een groot goed en verdient het om goed onderhouden te worden en mag niet verweesd achtergelaten worden! De minister moet nu concrete stappen zetten tot het behoud ervan en zich niet los van de werkelijkheid verliezen in geld en tijdverslindende experimenten met een twijfelachtige afloop.


  • Arrest Lindenbaum-Cohen uit 1919 gepubliceerd

De rechtspraak is doende met publicatie van oude standaardarresten. Het gaat hier om –merendeel historische- uitspraken van de Hoge Raad.

Afgelopen week, 31 januari jl. heeft de rechtspraak twee standaardarresten gepubliceerd. Het belangrijkste arrest betreft de zaak Lindenbaum-Cohen uit 1919. Dit arrest wordt wel gezien als het belangrijkste arrest wat de Hoge Raad heeft gewezen (zie Asser-Hartkamp 4-III).  Deze uitspraak markeert een nieuwe beoordeling van hetgeen tot dat moment (1919) als ‘onrechtmatig’ werd gezien. Tot het arrest werd als onrechtmatig alleen aangemerkt een handelen, waarvan het ongeoorloofde uit enig wetsvoorschrift rechtstreeks is af te leiden. De vraag die hierop werd gesteld, was of handelingen die hierbuiten vielen óók onrechtmatig konden zijn.

Waar draaide het om? Max Lindenbaum, handelsdrukker, wonende te Amsterdam vordert schadevergoeding van zijn concurrent, handelsdrukker Samuel Cohen, omdat Cohen in ruil voor giften en beloften aan een bediende van Lindenbaum, gevoelige bedrijfsinformatie (“…inlichtingen te verstrekken omtrent al hetgeen ten kantore van Lindenbaum gebeurde, hem copie te geven van de door laatstgenoemde gedane offerten en opgaaf te doen van klanten, die bestellingen deden of prijsopgaven vroegen…”) over Lindenbaum ontving. Lindenbaum vond dat Cohen onrechtmatig handelde en eiste schadevergoeding van Cohen.

In het arrest overwoog de Hoge Raad te dien aanzien bevestigend:

…Dat onder onrechtmatige daad is te verstaan een handelen of nalaten, dat òf inbreuk maakt op eens anders recht, òf in strijd is met des daders rechtsplicht, òf indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, terwijl hij, door wiens schuld tengevolge dier daad aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is verplicht…”.

De conclusie was dus dat Cohen onrechtmatig jegens Lindenbaum kon hebben gehandeld, ook als het ongeoorloofde niet uit enig wetsvoorschrift rechtstreeks was af te leiden. Hiermee deed het ongeschreven recht zijn intrede. Cohen moest de kosten van de procedure betalen; “…dertien gulden negentig cent aan verschot en op tweehonderd vijftig gulden voor salaris….”.

[bron: rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Hoge-Raad-der-Nederlanden/Nieuws/Paginas/Honderd-jaar-arrest-Lindenbaum-Cohen-arrest-gepubliceerd-op-rechtspraaknl.aspx]

  • De OM-Strafbeschikking. Schuldig zonder proces (I)

Advocaten zetten zich in voor burgers en bedrijven. Hun rechtsbelangen staan voorop voor advocaten. Deskundige hulp van een advocaat blijft nodig. In dit kader volgt een publicatie over de OM-strafbeschikking die iedereen kan krijgen voor een simpele overtreding of bij een misdrijf. Wat velen niet weten is dat de persoon die een OM-strafbeschikking krijgt,  veroordeeld is en de opgelegde straf moet vervullen, tenzij deze persoon zelf verzet instelt en naar de rechtbank gaat.

De OM-strafbeschikking

Op basis van de wet [1] kan de officier van justitie, verbonden aan het Openbaar Ministerie (OM) een strafbeschikking uitvaardigen als hij vaststelt dat een overtreding is begaan, of een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving niet meer dan zes jaar gevangenisstraf is gesteld. In beginsel worden al deze strafzaken door middel van een strafbeschikking afgedaan. In de ‘Aanwijzing OM-strafbeschikking’ [2] (hierna: ‘de Aanwijzing’) worden beleidsregels gegeven op welke wijze het OM invulling moet geven aan haar bevoegdheid. Het O.M. dient zich aan deze beleidsregels te houden. De OM-strafbeschikking wordt hierna aangeduid als strafbeschikking.

De wet benoemt uitsluitingsgronden voor het uitvaardigen van een strafbeschikking, zoals voor misdrijven met een maximale strafbedreiging boven zes jaar gevangenisstraf. Voor het uitvaardigen van een strafbeschikking kunnen daarnaast contra-indicaties bestaan. Als sprake is van een contra-indicatie, kan een transactie worden aangeboden. De contra-indicaties worden vermeld in de bijlagen van de Aanwijzing. Naast het OM kunnen ook strafbeschikkingen uitgevaardigd worden door gemeenten, provincies, waterschappen en keuren, alsmede door de Belastingdienst. Het OM behandelt de verzetten die ingesteld worden tegen alle soorten strafbeschikkingen. Dit artikel gaat alleen over strafbeschikkingen die door het OM uitgevaardigd worden.

Wijze van ontvangst

De strafbeschikking wordt in persoon uitgereikt of een afschrift wordt per brief verstuurd. Hierbij geldt het adres in de basisregistratie personen als het juiste adres. Is de verdachte niet ingeschreven, dan wordt de feitelijke woon-verblijfplaats aangemerkt als juiste adres. Een afschrift wordt ook gestuurd aan het door de verdachte bij diens verhoor opgegeven Nederlandse adres. De brief wordt aangetekend verstuurd bij een geldboete, schadevergoedingsmaatregel en andere financiële sancties van meer dan € 2.000,–.

Verschil strafbeschikking – transactie

De strafbare feiten waarvoor een strafbeschikking kan worden opgelegd, zijn dezelfde als waarvoor een transactie ex art. 74 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden aangegaan. Waar de transactie strafvervolging voorkomt, is het opleggen van een strafbeschikking een daad van vervolging. De strafvervolging wordt niet afgekocht, maar juist volvoerd door de oplegging van straffen. Een samenhangend verschil is dat ‘stil zitten’ niet loont. De verdachte die niet op een transactieaanbod ingaat, kan de eventuele dagvaarding afwachten. De verdachte daarentegen die zich niet bij een strafbeschikking wenst neer te leggen, moet zelf actie ondernemen [3].

Geen strafbeschikking, maar direct dagvaarden

In bepaalde omstandigheden kan het OM beslissen om geen strafbeschikking uit te vaardigen, maar om de verdachte te dagvaarden voor de strafrechter. Hierbij moet het OM haar beslissing wel goed en inhoudelijk motiveren: ECLI:NL:HR:2010:BK6942, ECLI:NL:HR:2017:1083, ECLI:NL:GHAMS:2018:1330 en  ECLI:NL:GHDHA:2018:1502.

OM als aanklager, ‘rechter’ en uitvoerder van de sanctie

Het OM is in de eerste plaats verantwoordelijk voor het door de officier van justitie uitvaardigen van strafbeschikkingen. De strafbeschikking komt, wat haar rechtskarakter betreft, overeen met een rechterlijke veroordeling, maar het OM is géén rechter. Het OM is ook verantwoordelijk voor de verwezenlijking van de waarborgen bij de oplegging ervan. Verder heeft het OM een rol bij het uitreiken en toezenden van strafbeschikkingen, behandelt het de verzetten ingesteld tegen de diverse strafbeschikkingen, zorgt het voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde sancties en heeft het regels opgesteld aangaande de informatieverstrekking van strafbeschikkingen.

Hoorplicht OM

Voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking dient in een beperkt aantal gevallen de verdachte door de officier van justitie te worden gehoord. Deze hoorplicht is afhankelijk van de soort of de zwaarte van de op te leggen sanctie. Een strafbeschikking waarin een taakstraf, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, dan wel een gedragsaanwijzing wordt opgelegd mag alleen worden uitgevaardigd, indien de verdachte door de officier van justitie is gehoord en daarbij heeft verklaard bereid te zijn de straf te voldoen dan wel zich aan de aanwijzing te houden [4]. De verdachte mag zich bij het horen bij laten staan door een advocaat. Als uit het horen blijkt dat de verdachte niet bereid is om zijn straf te voldoen of zich aan de aanwijzing te houden, kan hij rechtstreeks worden gedagvaard. Ook bij een geldboete, schadevergoedingsmaatregel en andere financiële sancties van meer dan € 2.000,–  geldt een voorafgaande hoorplicht door de officier van justitie. De verdachte moet zich volgens de wet bij het horen bij laten staan door een advocaat. Heeft de verdachte geen advocaat, dan moet de rechter oordelen[5].

Los van bovenstaande hoorplicht door de officier van justitie, staat het iedere verdachte vrij om bij de officier van justitie een verzoek in te dienen om te worden gehoord. De verdachte kan goede redenen hebben om in een persoonlijk gehoor naar voren te brengen waarom de strafbeschikking onterecht is.

Schuldig zonder veroordeling

Met de strafbeschikking wordt het rechtsprincipe, dat alleen de rechter oordeelt over de strafbaarheid en de schuld van een verdachte, opzij gezet. De rechter komt bij de strafbeschikking pas in beeld nadat een verdachte schuldig is bevonden door- en bestraft is door het OM. Doet een met een strafbeschikking bestrafte niets, dan kan deze achteraf niet volhouden dat diens schuld niet is vastgesteld. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling en de bestrafte die het daar niet mee eens is, zal zelf verzet moeten doen. Volgens de wet wordt een met een strafbeschikking bestrafte persoon schuldig geacht tot het tegendeel is bewezen. Hiermee wordt de onschuldpresumptie: niemand is schuldig tot het tegendeel is bewezen, opzij gezet.

[1] Wet OM-afdoening, wetsartikelen: 257a tot en met 257h Wetboek van Strafvordering

[2] Staatscourant 2017 nr. 42314, 25 juli 2017

[3] Rapport ‘Beproefd verzet’ Een rapport van de procureur-generaal bij de Hoge Raad in het kader van het in art. 122 lid 1 Wet RO bedoelde toezicht, Den Haag, 2017 (p. 7).

[4] Artikel 257c lid 1 Wetboek van Strafvordering

[5] Artikel 257c lid 2 Wetboek van Strafvordering
[Einde deel I]
  • De OM-Strafbeschikking . Verzet als rechtsmiddel (II)

Nadat een OM-strafbeschikking (hierna: strafbeschikking) is ontvangen, kan hiertegen verzet ingesteld worden. Het verzet kan schriftelijk (per brief) of in bepaalde gevallen in persoon worden ingesteld. Wordt verzet ingesteld, dan hoeft de opgelegde sanctie niet ook te worden betaald. Het verzet schorst de betalingsverplichting. Is dit toch gebeurd, dan blijft het verzet rechtsgeldig en moet dit worden behandeld, aldus de Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3220.

Verzettermijn

De termijn waarbinnen verzet kan worden ingesteld, bedraagt in beginsel 14 dagen. Tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, kan verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending [1]. Voor deze laatste categorie geldt dus een veel ruimere termijn.

De verzettermijn vangt aan: a. nadat het afschrift van de strafbeschikking in persoon aan de verdachte is uitgereikt; b. dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking aan de verdachte bekend is [2]. Geschiedt uitreiking in persoon, dan is het OM verantwoordelijk voor een juiste en correcte uitreiking. Mislukt dit door toedoen van het OM, dan mag het OM de verzetprocedure niet negeren en doorschakelen naar een gewone strafprocedure; ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ5617. Van de uitreiking zal het OM een akte op moeten maken in verband met de ingang van de verzettermijn: ECLI:NL:GHDHA:2017:1437. Ook overigens zal uit het dossier van het OM duidelijk moeten blijken wanneer de verdachte op de hoogte is geraakt van de strafbeschikking ECLI:NL:GHARL:2014:2676.

Geadresseerde voor het verzet

Het verzet wordt gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Wordt het verzet gedaan bij een ander parket, dan moet dit parket het verzet doorgeleiden naar een officier van justitie [3]. In feite maakt het hiermee voor de verdachte niet uit bij welk parket van het OM hij verzet instelt [4], ook omdat het OM geldt als ‘een en ondeelbaar’. Een ontvangen verzetschrift behoort te worden geregistreerd naar datum en uur van ontvangst en hiervan moet een akte worden opgemaakt. De akte wordt bij de processtukken gevoegd [5]. Wordt aan de verdachte tegengeworpen dat het verzet te laat is ingesteld, dan zal het OM dit aan moeten tonen. Kan het OM dit niet aantonen dan geldt het verzet als zijnde tijdig ingesteld. Zie hiervoor bijvoorbeeld het arrest van het gerechtshof Den Bosch: ECLI:NL:GHSHE:2018:3429. De dag waarop het verzet binnenkomt bij het parket [6] geldt als de dag waarop het verzet is ingesteld.

Wie stelt verzet in

Het verzet kan worden gedaan door: de verdachte; een advocaat die verklaart bepaaldelijk door de verdachte te zijn gevolmachtigd; alsmede een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde in persoon op het parket [7]. De verdachte en advocaat kunnen dus zowel schriftelijk als in persoon verzet instellen. Ieder ander, verdachte noch advocaat, kan alleen in persoon en met een bijzondere volmacht verzet instellen voor de verdachte. Wordt schriftelijk verzet ingesteld, dan heeft het nadrukkelijk de voorkeur om het verzet tijdig en aangetekend te versturen.

Wat staat in het verzet

Bij het verzet worden opgegeven de naam van de verdachte, alsmede een nauwkeurige aanduiding of kopie van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt. De verdachte kan een adres in Nederland opgeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.

Bij het verzet kunnen schriftelijk bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven [8]. Dit laatste is erg belangrijk! Van de verdachte wordt namelijk verwacht dat hij redenen en omstandigheden vermeld waarom hij het oneens is met de beschikking. Dit kan van alles zijn, persoonlijk (bijvoorbeeld,  met spoed naar het ziekenhuis of ontslag en niet goed opgelet), of feitelijk (niet geijkte meetapparatuur of een niet-gecertificeerde bediener van de apparatuur) of anderszins (…vanwege mijn werk kan ik mijn rijbewijs niet missen / vanwege mijn werk mag ik geen aantekening in het justitieel documentatieregister hebben…).

Op Internet zijn tal van voorbeeldbrieven te vinden die gebruikt kunnen worden om een verzetschrift op te stellen en/ of aan te vullen. Bij voorkeur onderbouwt de verdachte zijn redenen van verzet met bewijsmateriaal. Hiervoor is het erg belangrijk om in het verzetschrift duidelijk te vragen om het procesdossier op te sturen, zodat de verdachte hiervan kan kennis nemen. Tot de processtukken behoren “alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn.” [9]. Uit het dossier blijkt immers op basis van welke feitelijke gegevens de beschikking is opgelegd en kan ook worden gecontroleerd of de beschikking klopt. Het procesdossier kan bovendien gegevens bevatten waarmee het verzet nader onderbouwd en/ of toegelicht kan worden; ECLI:NL:GHAMS:2018:4495. Het is daarom erg belangrijk om meteen in het verzetschrift duidelijk te vragen om toezending van het procesdossier.

Verzet; geen tenuitvoerlegging beschikking, tenzij…

Door verzet tegen de strafbeschikking wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort, tenzij naar het oordeel van het OM vaststaat dat het verzet na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is gedaan [10]. De wetsgeschiedenis spreekt van een “streng criterium”, op grond waarvan strenge eisen gelden voor het OM. De uitzondering geldt alleen voor gevallen waarin het verzet in de ogen van het OM evident na afloop van de verzettermijn is gedaan [11]. Volgens de wet moet dus eerst een inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden hebben, terwijl niet te licht overgegaan mag worden tot tenuitvoerlegging. Overigens zal uit het register van het OM en de door haar opgemaakte akte moeten blijken wanneer het verzet is gedaan.

In het geval het OM oordeelt dat het verzet na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is gedaan, geldt dit oordeel bovendien als een voorlopig oordeel. Dat blijkt uit de tweede volzin van artikel 257g lid 2 Wetboek van Strafvordering, die inhoudt dat de rechter, als de executie op basis van het oordeel van het OM is hervat, kan bepalen dat de executie (opnieuw) wordt geschorst of opgeschort [12]. Een termijnoverschrijding kan immers verschoonbaar zijn; hiervoor kunnen geldige redenen zijn.

Verzet stuit de tenuitvoerlegging

Wordt géén verzet ingesteld, dan kan de beschikking ten uitvoer worden gelegd, maar pas veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking [13]. In het geval van toezending is de beschikking nog niet onherroepelijk, omdat de enkele toezending geen omstandigheid oplevert die maakt dat de verdachte daarmee bekend is [14]. Ook al is de beschikking bij toezending niet onherroepelijk, zij kan dan wel ten uitvoer worden gelegd. Dit kan met zich meebrengen dat aanmaningen worden verstuurd, verhaal genomen wordt op goederen, verhogingen opgelegd kunnen worden, iemand gegijzeld kan worden. Om dit te voorkomen kan verzet ingesteld worden. Vervolgens ligt de tenuitvoerlegging (executie) tot nader order stil. Zolang de beschikking nog niet onherroepelijk is, dus zolang tegen de beslissing nog een rechtsmiddel bestaat, mag deze niet ten uitvoer worden gelegd. Dit blijkt uit de wet; volgens de hoofdregel van artikel 557 lid 1 Wetboek van Strafvordering mag een veroordeling niet ten uitvoer worden gelegd, zolang daartegen nog een gewoon rechtsmiddel openstaat en, als het rechtsmiddel is aangewend, daarop is beslist. Als de rechter (in eerste aanleg) het verzet niet-ontvankelijk verklaart of afwijst, staat hiertegen nog hoger beroep open [15]. Gedurende de periode dat hoger beroep kan worden ingesteld en/of gedurende het hoger beroep is de beschikking nog niet onherroepelijk.

Vrijwillige voldoening, afstand,

Het is niet mogelijk om verzet in te stellen als de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe, door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan ook niet worden gedaan als de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe [16]. Bij afstand kan de beschikking meteen ten uitvoer worden gelegd.

Heeft het zin om verzet in te stellen; JA!

Het heeft zin om verzet in te stellen als de verdachte feiten en omstandigheden wil aanvoeren die een ander licht kunnen werpen op wat hem wordt verweten. Het OM kan beslissen tot intrekking of wijziging , maar de rechter kan dan tot een heel ander oordeel als het OM komen. In combinatie hiermee heeft het ook zin om verzet in te stellen als de inhoud van het procesdossier (het dossier van het OM) een ander licht op de feiten kan werpen. De rechter kan iemand vrijspreken of een lagere straf opleggen.

Procesdossier

De verdachte heeft recht om de inhoud van het dossier op te vragen en dit behoort tijdig voor de rechtszitting ter beschikking te worden gesteld. Uit het procesdossier kan blijken dat hetgeen wordt verweten bijvoorbeeld niet juist is vastgesteld, of onderzocht. Bovendien kunnen essentiële gegevens ontbreken in het procesdossier. Het is belangrijk dat de verdachte dit vroegtijdig weet. Op basis van artikel 33 Wetboek van Strafvordering, wordt de kennisneming van alle processtukken de verdachte niet onthouden zodra een strafbeschikking is uitgevaardigd. Dit blijkt ook uit Besluit processtukken in strafzaken (Staatsblad 2011, 602). Het procesdossier kan gegevens bevatten waaruit de onschuld van de verdachte blijkt en waarmee het verzet nader onderbouwd en/ of toegelicht kan worden: ECLI:NL:GHAMS:2018:4495. Wordt het procesdossier niet / niet-tijdig verstrekt, dan is het erg belangrijk om er op te wijzen dat de verdedigingsrechten hierdoor geschaad worden en dat de handelwijze van het OM strijdt met het recht op een eerlijk proces. De rechter kan op grond hiervan en bij een veroordeling, een straf verlagen.

Opschorting beschikking

Het instellen van verzet zorgt er bovendien ook voor dat de tenuitvoerlegging van de beschikking opgeschort wordt, uitzonderingen daargelaten. Het instellen van verzet kan gebeuren met een eenvoudige en duidelijke brief, die de verdachte binnen de verzettermijn aangetekend verstuurt.

Stelt de verdachte geen verzet in, dan wordt de opgelegde sanctie uitgevoerd en is er sprake van een strafrechtelijke veroordeling. Hiervan vindt aantekening plaats in de justitiële documentatie (strafblad). Dit kan de afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag, een VOG, in de weg staan en moeilijkheden veroorzaken bij het vinden van een baan, het vervullen van een functie of het optreden als vrijwilliger. Hiernaast wordt een onherroepelijke strafbeschikking ter zake van een soortgelijk feit ook betrokken bij de vraag in een latere strafzaak naar de aanwezigheid van gevaar voor recidive; ECLI:NL:GHAMS:2018:877, terwijl het ook een rol speelt bij de motivering van een straf in een latere strafzaak; ECLI:NL:HR:2017:7. Een strafrechtelijke veroordeling kan ook problemen veroorzaken bij het verkrijgen van een Nederlandse verblijfsvergunning of voor een buitenlands visum. In dit verband kunnen ook problemen optreden bij het aanvragen van een nieuwe verzekering.

Herbeoordeling na verzet

Volgens de aanwijzing van het OM behoort het OM op basis van het verzet een herbeoordeling uit te voeren. Dit is geen wettelijke verplichting [17]. De herbeoordeling door het OM kan leiden tot handhaving van de beschikking, intrekking of wijziging van de beschikking.

[Einde van dit tweede deel. In het nader op deze website te publiceren derde deel wordt ingegaan op de procedure bij de strafrechter]
[1] artikel 257e lid 1, 1e en 2e zin Wetboek van Strafvordering

[2] artikel 257e lid 1, 1e zin Wetboek van Strafvordering

[3] artikel 257e lid 2 Wetboek van Strafvordering

[4] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 52

[5] artikel 257e lid 3 laatste zin en lid 5 en 6 Wetboek van Strafvordering

[6] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 55

[7] artikel 257e lid 3 Wetboek van Strafvordering

[8] artikel 257e lid 4 Wetboek van Strafvordering

[9] artikel 149a lid 2 Wetboek van Strafvordering

[10] artikel 257g lid 2 Wetboek van Strafvordering

[11] Kamerstukken II 2004-2005, 29 849, nr. 3, p. 38. En Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 66


[12] artikel 257g lid 2 2e volzin Wetboek van Strafvordering

[13] artikel 257g lid 1 Wetboek van Strafvordering

[14] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 8 en 66

[15] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 68

[16] artikel 257e lid 1, laatste zin Wetboek van Strafvordering

[17] Aanwijzing OM-strafbeschikking,  artikel 257g lid 1, Wetboek van Strafvordering en Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 79

  • De OM-Strafbeschikking. De procedure bij de strafrechter (III)

Na indiening van het verzetschrift volgt de beslissing van het OM over het verdere verloop van de procedure. Het OM kan beslissen om het verzet gegrond te verklaren en de strafbeschikking in te trekken. In dat geval bestaat de strafbeschikking niet meer en vindt geen strafrechtelijke vervolging plaats (sepot)[1]. Beslist het OM tot strafrechtelijke vervolging dan wordt per post een oproep voor een terechtzitting aan de verdachte gestuurd, of wordt de oproep aan de verdachte uitgereikt. De oproeping moet een omschrijving van de gedraging bevatten die als tenlastelegging wordt aangemerkt[2].

Bij de strafrechter en het voordeel van de twijfel

Wil een ingesteld verzet kans van slagen hebben, dan is het erg belangrijk dat de verdachte zelf –goed voorbereid en bij voorkeur met een uitgeschreven verhaal- verschijnt op de terechtzitting. De rechter, maar ook het OM, zullen van de verdachte persoonlijk willen horen wat er is gebeurd en onder welke omstandigheden dit is gebeurd. De behandeling van de zaak op de zitting is in veel gevallen bepalend voor de uitkomst. De persoonlijke verschijning van de verdachte beïnvloedt de waardering van het bewijs. Als de verdachte met een verhaal komt dat niet onaannemelijk is en aangemerkt wordt als geloofwaardige alternatieve verklaring, krijgt hij al gauw het voordeel van de gerezen twijfel[3]. Hierbij zal ook de ouderdom van de zaak en de beperktheid van een proces-verbaal een rol spelen[4]. Het goede nieuws is dan ook dat de procedure bij de strafrechter leidt tot een niet-gering aantal vrijspraken bij verschijning van de verdachte.

Ontvankelijkheid verzet

Nu de zaak onder de rechter is, toetst de rechter eerst of de verdachte ontvangen kan worden in zijn verzet. Eerst wordt beoordeeld of het verzet op tijd is ingesteld. Hierbij speelt een centrale rol wanneer de verdachte bekend is geworden met de strafbeschikking. Als de strafbeschikking per post is verzonden, is het moment van de bekendwording met de beschikking niet te controleren. Op de rechtszitting zal het OM in geval dat de beschikking per post is verstuurd, zelden concluderen tot niet-ontvankelijkheid. Hierbij kan de ouderdom van de zaak ook van belang zijn. Als een strafbeschikking wordt uitgevaardigd terwijl de redelijke termijn van 2 jaar is overschreden, kan het OM redelijkerwijs niet beargumenteren dat een verzet te laat is ingesteld[5].

In verband met de ontvankelijkheid beoordeelt de rechter hiernaast ook of het verzet bevoegd en op de juiste wijze is gedaan. Als de verdachte op de rechtszitting verschijnt, verbindt de rechter géén gevolgen aan een verzet dat niet bevoegd of niet op de juiste wijze is gedaan[6]. Verschijning van de verdachte dekt deze gebreken.

Oordeelt de rechter dat het verzet niet-ontvankelijk is, dan wordt het verzet niet in behandeling genomen. Als de strafbeschikking in orde wordt bevonden en uit het dossier blijken geen ontlastende feiten en omstandigheden, kan de rechter de niet-ontvankelijke verdachte veroordelen conform de strafbeschikking.

De vordering ter terechtzitting en de uitspraak

De strafbeschikking vormt het uitgangspunt voor de strafeis van het OM. Het komt weinig voor dat het OM op de zitting een zwaardere straf eist[7].

Daarentegen komt het in een betrekkelijk groot aantal gevallen voor dat het OM ter zitting een lagere straf eist (bij een verschijnende verdachte met een inhoudelijk gemotiveerd geloofwaardig verhaal). De neiging om de verdachte tegemoet te komen kan hierbij een rol spelen. Hiernaast speelt het tijdsverloop tussen de datum van het verweten feit en/ of de datum van de strafbeschikking en het moment van de rechtszitting, ook een rol. Tenslotte heeft het OM op de zitting letterlijk oog op de verdachte en hoort hij de omstandigheden van het geval, dit kan ook positief uitwerken op de eis. In algemene zin speelt het voorgaande dezelfde rol voor de beoordelende rechter. Verschijnt een verdachte dan speelt dit zonder meer mee in zijn voordeel, nog afgezien van het tijdsverloop. Voor de rechter kan het oordeel over de zwaarte van de geëiste straf ook nog een rol spelen[8]. Hiernaast kunnen andere aspecten ook van invloed op de straf zijn, zoals fouten bij het OM in verband met het niet- of te laat verstrekken van het dossier. Ook al komt het tot een veroordeling dan kan dit flink lager uitvallen dan de sanctie in de strafbeschikking.

Conclusie

De conclusie van dit onderdeel is dan ook dat het altijd zin heeft om na verzet voor de rechter te verschijnen, mits met een inhoudelijk en geloofwaardig verhaal. Op zijn best resulteert dit in een niet gering aantal gevallen in een vrijspraak. Geschiedt dit niet dan is de kans op een lagere bestraffing aanwezig en op zijn slechtst blijft de sanctie in de strafbeschikking gehandhaafd. Is de verdachte het oneens met de uitspraak van de rechter, dan bestaat –onder voorwaarden- een recht op hoger beroep bij het gerechtshof.

[Einde van dit derde en laatste deel]

[1] artikel 255a lid 2 Wetboek van Strafvordering

[2] artikel 257f lid 3 Wetboek van Strafvordering

[3] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 106

[4] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 107

[5] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 83, 84

[6] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 79 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:BV6999 en HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924.

[7] Aanwijzing OM-strafbeschikking en Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 109

[8] Rapport ‘Beproefd verzet’ pagina 109 - 112
Alle auteursrechten, databankrechten en andere (intellectuele) eigendomsrechten op de inhoud en vormgeving van deze website berusten uitsluitend bij mr. P.A. Beekman te Rotterdam (Beekman Advocatuur). Alle rechten worden uitdrukkelijk voorbehouden. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van mr. P.A. Beekman te Rotterdam (Beekman Advocatuur) is het niet toegestaan om op welke wijze dan ook (een deel van) de publicaties op deze website geheel of gedeeltelijk over te nemen, te hergebruiken, openbaar te maken, of anderszins te verveelvoudigen, óók niet als de bron wordt vermeld.

  • Actuele uitspraken rechtbank Rotterdam

Door te klikken op onderstaande link krijgt u toegang tot de op rechtspraak.nl. gepubliceerde actuele uitspraken van de rechtbank Rotterdam op het gebied van civiel recht (arbeidsrecht, personen- en familierecht en verbintenissenrecht):

Rechtbank Rotterdam / civiele uitspraken op rechtspraak.nl

[bron: rechtspraak.nl]

  • Veranderingen in de arbeidswetgeving; het wetsvoorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’

Op 7 november jl. zijn een aantal veranderingen in de arbeidswetgeving aangekondigd door Minister Koolmees (d66) van het Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid. Doel hiervan is om de kloof tussen werknemers met een flexbaan en werknemers met een vast contract te verkleinen. Het wetsvoorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’ is aan de Tweede Kamer gestuurd.

Dit wetsvoorstel volgt op de in 2015 overhaast ingevoerde ‘Wet Werk en Zekerheid’ (WWZ). Deze wet werd ingevoerd door toenmalige Minister Asscher (PvdA) zonder goede voorbereiding en consultatie. Deze wet was volgens de rechtsprakijk een in achterkamertjes ontworpen systeemwijziging (Sociaal Akkoord) wat tot veel ongewenste neveneffecten en uiteindelijk weinig draagvlak leidt. Gevolgen van de WWZ waren onder andere een afname van het aantal vaste contracten, waarbij het ook aanzienlijk moeilijker werd om een arbeidsovereenkomst via de rechter te ontbinden. Het huidige wetsvoorstel poogt dit dus te repareren.

Veranderingen

De meest in het oog springende –voorgenomen- wijzigingen in het voorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’ luiden:

-Ontslag wordt ook mogelijk als er sprake is van een optelsom van omstandigheden, de zogenaamde cumulatiegrond. Nu moet de werkgever volledig aan een van de acht ontslaggronden  voldoen. De nieuwe negende grond geeft de rechter de mogelijkheid omstandigheden te combineren. De werknemer kan maximaal een halve transitievergoeding extra krijgen (bovenop de transitievergoeding), wanneer de cumulatiegrond gebruikt wordt voor het ontslag.

Hiermee wordt teruggegrepen op het vóór de WWZ geldende ontslagrecht, toen ontslaggronden in combinatie met elkaar gebruikt konden worden en de ontslagvergoeding kon worden gebruikt als ‘smeermiddel’ als de redenen voor ontslag niet volledig aangetoond kunnen worden.

-Werknemers krijgen vanaf de eerste dag recht op een transitievergoeding (ontslagvergoeding), ook tijdens de proeftijd. Nu geldt dit pas vanaf een dienstverband vanaf 24 maanden.

-De opbouw van de transitievergoeding wordt verlaagd bij lange dienstverbanden. Dit wordt voor iedereen een derde maandsalaris per gewerkt jaar. Nu wordt de opbouw van de transitievergoeding ook afhankelijk gesteld van de duur van het dienstverband.

-Verlenging van de proeftijd voor werkenden die meteen een vaste contract krijgen, van twee maanden naar vijf maanden. Nu bedraagt de maximale (‘ijzeren’) proeftijd twee maanden.

– De opeenvolging van tijdelijke contracten, de zgn. ketenbepaling, wordt verruimd. Nu is het mogelijk om aansluitend drie tijdelijke contracten in twee jaar aan te gaan. Dit wordt drie jaar.

Kritiek op het wetsvoorstel

De afdeling Advisering van de Raad van State vindt dat het wetsvoorstel nader overwogen moet worden. Volgens de Afdeling blijven ook bij invoering van het wetsvoorstel te grote verschillen bestaan tussen verschillende categorieën werkenden. Volgens de Afdeling lijkt het voorstel baanzekerheid na te streven en de flexibilisering van de arbeidsmarkt tegen te willen gaan. Aan de andere kant zegt het voorstel een zekere mate van flexibiliteit van de arbeidsmarkt noodzakelijk te achten en worden de verschillen tussen vast en flexibel werk op onderdelen ook verkleind. De Afdeling acht het wetsvoorstel weinig kansrijk om een nieuwe balans op de arbeidsmarkt tot stand te brengen en adviseert om fundamenteler en inhoudelijker –dan nu gedaan is- te kijken naar het arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscale wetgeving.

Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN) en de Vereniging voor Arbeidsrecht (VvA) menen dat een nieuwe regering zich moet inzetten voor een grondige herziening van het gehele stelsel. Volgens de Vaan brengt het wetsvoorstel een aantal onevenwichtigheden van de WWZ weer in balans. Daarnaast draagt het wetsvoorstel bij aan het verkleinen van de kloof tussen vast en flex. VAAN en VvA concluderen echter dat (ook) het wetsvoorstel een vorm van symptoombestrijding is. VAAN en VvA roepen op tot een grondige herziening middels een staatscommissie. Deze zou dan als opdracht krijgen een toekomstbestendige wettelijke regeling van arbeid en inkomenszekerheid te realiseren.

De Raad voor de Rechtspraak verwacht na invoering van de wet een (tijdelijke) toename van het aantal gerechtelijke procedures. Verder meent de Raad dat invoering van de nieuwe ontslaggrond  meer ruimte biedt voor schikkingsmogelijkheden, waardoor mogelijk minder zaken aan de rechter voorgelegd behoeven te worden.

Verder

Als de Tweede Kamer het wetsvoorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’ heeft aangenomen, al dan niet in gewijzigde vorm, wordt het voorstel aan de Eerste Kamer gestuurd. De Eerste Kamer kan het voorstel niet wijzigen. Heeft de Eerste Kamer fundamentele kritiek, dan kan het voorstel door de regering wel voorzien worden van een wijziging (een ‘novelle’). Deze wijziging moet dan eerst goedgekeurd worden door de Tweede Kamer. Het kan dus even duren voordat het arbeidsrecht daadwerkelijk wordt gewijzigd in de nu voorgestelde vorm.


  • Echtscheiding, verbreking geregistreerd partnerschap en pensioen

Het pensioen is een financiële voorziening voor later, een verzekering. Pensioen wordt opgebouwd door zelf periodiek geld opzij te zetten en onder te brengen bij een financiële instelling (een pensioenverzekeraar). Dit is het ouderdomspensioen. Hiernaast bestaat ook partnerpensioen; dit is een financiële voorziening van de werkgever voor de achterblijvende partner als de andere partner (werknemer) overlijdt. Beide pensioenen worden opgebouwd via een werkgever, tijdens een dienstverband. Bij de overheid is sprake van een aanstelling als ambtenaar.

Is sprake van een echtscheiding of van verbreking geregistreerd partnerschap, dan moeten deze pensioenpotjes (pensioenaanspraken) worden verdeeld tussen de partners. Bij ouderdomspensioen heet zo’n verdeling ’verevening’. Dit is alleen anders als zo’n verdeling expliciet wordt uitgesloten. Een uitsluiting kan opgenomen zijn in huwelijkse voorwaarden, het contract van het geregistreerd partnerschap of in nadere afspraken. Hoe weet u of en zo ja hoeveel pensioen is (en wordt) opgebouwd? Dat blijkt uit het pensioenoverzicht van de financiële instelling, salarisspecificaties, en de website mijnpensioenoverzicht.nl. Soms geeft de ander geen informatie over zijn of haar pensioen en in dat geval kan de rechter deze ander opdragen (‘gelasten) om alle relevante informatie te verstrekken.

Onderscheid wordt gemaakt tussen ouderdomspensioen en (bijzonder) partnerpensioen. Beide pensioenen vallen onder verschillende wetten. Aanspraak op verevening van ouderdomspensioen bestaat voor de periode van de duur van het huwelijk. Aanspraak op verdeling van (bijzonder) partnerpensioen bestaat voor de periode van de duur van het huwelijk en de voorhuwelijkse periode. In plaats van huwelijk kan men ook lezen: geregistreerd partnerschap. Is voldaan aan voorwaarden van de pensioeninstelling, dan kan verdeling van (bijzonder) partnerpensioen ook plaatsvinden bij niet-geregistreerde partners, dus samenwoners.

Verdeling van (bijzonder) partnerpensioen vindt alleen dan plaats als dit pensioen is opgebouwd. Is sprake van een (bijzonder) partnerpensioen op risicobasis, dan is alleen het risico op overlijden verzekerd en is er geen potje met geld beschikbaar. Op de website mijnpensioenoverzicht.nl zal dan het cijfer 0 vermeld zijn. Is het partnerpensioen verzekerd op opbouwbasis, dan is er wel geld beschikbaar. Bij ouderdomspensioen is geen sprake van een opbouw op risicobasis.

Partners, gehuwden, beslissen zelf hoe zij de aanspraken op pensioen verdelen. Ze kunnen kiezen tussen een standaardverdeling; 50/50, een afwijkende verdeling en/of periode, voor afstand van aanspraken, of voor conversie waarbij voor de ander een eigen pensioenrecht ontstaat. Waar het (bijzonder) partnerpensioen betreft, moet de pensioenuitvoerder hiervoor vooraf toestemming verlenen.

Zowel bij scheiding, verbreking van het geregistreerd partnerschap en verbreking van een niet-geregistreerde relatie ((bijzonder) partnerpensioen) is het zaak om dit tijdig te melden aan de pensioenverzekeraar. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de pensioeninstantie de verdeling kan uitvoeren als de pensioenaanspraak tot uitkering komt (op het 67e levensjaar). Voor het ouderdomspensioen moet dit gebeuren binnen 2 jaar na inschrijving van de echtscheiding in het huwelijksgoederenregister. Bij het (bijzonder) partnerpensioen moet de melding gebeuren nadat de rechter de echtscheiding heeft uitgesproken.


  • Ontslag moeilijker geworden sinds 2015

Sinds 2015 is de wetgeving over het arbeidsrecht gewijzigd. Toen is de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) ingevoerd. Nu, drie jaar na invoering, hebben wetenschappers van de Erasmus Universiteit Rotterdam een onderzoek uitgevoerd naar ontbindingen van arbeidsovereenkomsten die zijn voorgelegd aan de rechter. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek luiden:

-sinds invoering van de WWZ is het aanmerkelijk moeilijker om een werknemer te ontslaan door ontbinding van diens arbeidsovereenkomst. Het ontslagrecht is -ten gunste van de werknemer- vaster geworden.

-Het percentage toegewezen billijke vergoedingen en de hoogte van de billijke vergoeding is (ten gunste van de werknemer ) sterk gestegen over de afgelopen drie jaar.

-Over de hoogte van de billijke vergoeding valt geen zinnig woord te zeggen. Dit kan alle kanten op gaan.

-de gepubliceerde rechtspraak geeft geen betrouwbaar beeld, maar een vertekend -want te hoog- beeld van beslissingen over de billijke vergoeding. Dit door de Rechtspraak geschetste onjuiste beeld valt dan ook in het voordeel van de werknemer uit.

[bron: SDU/blog/evaluatieonderzoek ontbindingspraktijk WWZ 2015-2018]
  • Omgang tussen ouder en kind is een fundamenteel mensenrecht

Na een scheiding of verbreking van een samenleving zijn ouders verplicht om omgang tussen het kind en de niet-verzorgende ouder mogelijk te maken. Niet alleen ouders zijn verplicht om omgang met de andere ouder mogelijk te maken, ook een instelling waar het kind verblijft is hiertoe gehouden. In twee recente uitspraken heeft het Gerechtshof Den Haag (de rechter in hoger beroep voor de arrondissementen Den Haag en Rotterdam) dit nog eens zeer duidelijk benadrukt.

In de eerste zaak gaat het om een vader die geen gezag heeft over zijn minderjarige kind. De rechtbank heeft het verzoek om een omgangsregeling afgewezen. Het gerechtshof is echter heel duidelijk over de uitgangspunten van het recht op omgang. Het gerechtshof: De Hoge Raad heeft bepaald dat het uitgangspunt is dat een minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het  Burgerlijk Wetboek en, wat het kind aangaat, ook door het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op enige in het Burgerlijk Wetboek limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust volgens het Burgerlijk Wetboek de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91), (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

De tweede zaak waarin het gerechtshof Den Haag zich duidelijk uitspreekt, betreft omgang tussen de ouder (de moeder) en een door de overheid uit huis geplaatst minderjarige kind wat in een instelling verblijft. Ook hier is de rechter meer dan duidelijk. Het gerechtshof: ouders(s) en kind hebben recht op omgang met elkaar. Op grond van het EVRM en het IVRK rust op de overheid en daarmee op de instelling een positieve verplichting ervoor zorg te dragen dat het familieleven zoveel als mogelijk gehandhaafd blijft. Deze positieve verplichting leidt ertoe dat alle voorbereidende maatregelen getroffen moeten worden om contact tussen ouder en het kind mogelijk te maken. Bovendien dient voortvarend te worden opgetreden, aangezien tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de relatie tussen ouder en het kind. Waar staten een grote vrijheid hebben in kinderbeschermingszaken, hebben zij juist een grote verantwoordelijkheid tot het bevorderen van contact tussen kinderen en hun ouders. Nadat een kind uit huis is geplaatst, rust er een grote verantwoordelijkheid op een staat teneinde het bezoekrecht van een ouder met het kind te waarborgen. (EHRM 29 januari 2013, nr. 25704/11 Lombardo t. Italië) (EHRM 17 juli 2014, nr. 19315/11, EHRC 2014/256, m.nt. M. Tuinman en P. Montanus (T./Tsjechië).

[bron:rechtspraak.nl/ ECLI:NL:GHDHA:2018:2549 en ECLI:NL:GHDHA:2018:2546]

Dit zijn recent gepubliceerde artikelen. Oudere artikelen zijn verwijderd ten behoeve van de toegankelijkheid.

Alle auteursrechten, databankrechten en andere (intellectuele) eigendomsrechten op de inhoud en vormgeving van deze website berusten uitsluitend bij mr. P.A. Beekman te Rotterdam (Beekman Advocatuur). Alle rechten worden uitdrukkelijk voorbehouden. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van mr. P.A. Beekman te Rotterdam (Beekman Advocatuur) is het niet toegestaan om op welke wijze dan ook (een deel van) de publicaties op deze website geheel of gedeeltelijk over te nemen, te hergebruiken, openbaar te maken, of anderszins te verveelvoudigen, óók niet als de bron wordt vermeld.