• Je recht halen, is straks niet meer te betalen!

Onder dit motto voert de advocatuur deze week in elk arrondissement actie tegen het uitblijven van concrete maatregelen van de Minister voor Rechtsbescherming om het huidige systeem van rechtspraak en gefinancierde rechtshulp op korte termijn te repareren.

De toegang tot het recht is door hoge griffierechten en steeds verdere inperking van gesubsidieerde rechtshulp in gevaar. Mensen met een smalle beurs zullen straks niet meer in staat zijn hun recht te halen. De vergoedingen die advocaten krijgen voor hun werk voor rechtzoekenden die de kosten van een advocaat niet zelf kunnen betalen, zijn volstrekt ontoereikend. Het zal ertoe leiden dat advocaten dit werk niet meer kunnen doen en mensen die al een kwetsbare positie in de samenleving hebben, komen daardoor verder in de knel.

De minister richt zich intussen echter op het ontwikkelen van experimenten om in de toekomst geschillen ‘anders’ op te kunnen lossen, met de onjuiste gedachte dat de juridische weg onnodig duur en complex zou zijn. Dit, terwijl de overheid zelf de grootste veroorzaker is van juridische problemen. Dit blijkt uit eigen onderzoek van de overheid (Monitor gesubsidieerde rechtshulp 2017 / Raad voor Rechtsbijstand 2018 pag. 167). Bovendien is het een illusie om te denken dat alle juridische geschillen in onderling overleg opgelost kunnen worden. Niemand is verplicht om in overleg een juridisch geschil op te lossen. Het leidt ertoe dat de sterkste partijen altijd winnen, want deze (de overheid, bedrijven, vermogende burgers) hebben advocaten, kennis, tijd en geld om ‘hun’ recht te halen.

Goede advocaten kunnen er in een goed toegankelijk rechtsstelsel aan bijdragen dat iedereen -met of zonder inkomen- zijn recht krijgt, snel, efficiënt en betaalbaar. De rechtsstaat is een groot goed en verdient het om goed onderhouden te worden en mag niet verweesd achtergelaten worden! De minister moet nu concrete stappen zetten tot het behoud ervan en zich niet los van de werkelijkheid verliezen in geld en tijdverslindende experimenten met een twijfelachtige afloop.

De advocaten uit het arrondissement Rotterdam zullen op 15 januari 2019 van 8.45 – 9.30 uur in toga demonstreren bij het gerechtsgebouw in Rotterdam aan het Wilheminaplein 100. Over deze demonstratie het artikel op Trouw.nl:

Trouw.nl (15-01-2019): Als de minister niet luistert, trekken ook de advocaten gele hesjes aan. https://www.trouw.nl/home/als-de-minister-niet-luistert-trekken-ook-de-advocaten-gele-hesjes-aan~aad9bd9d/


  • Actuele uitspraken rechtbank Rotterdam

Door te klikken op onderstaande link krijgt u toegang tot de op rechtspraak.nl. gepubliceerde actuele uitspraken van de rechtbank Rotterdam op het gebied van civiel recht (arbeidsrecht, personen- en familierecht en verbintenissenrecht):

Rechtbank Rotterdam / civiele uitspraken op rechtspraak.nl

[bron: rechtspraak.nl]

  • Veranderingen in de arbeidswetgeving; het wetsvoorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’

Op 7 november jl. zijn een aantal veranderingen in de arbeidswetgeving aangekondigd door Minister Koolmees (d66) van het Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid. Doel hiervan is om de kloof tussen werknemers met een flexbaan en werknemers met een vast contract te verkleinen. Het wetsvoorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’ is aan de Tweede Kamer gestuurd.

Dit wetsvoorstel volgt op de in 2015 overhaast ingevoerde ‘Wet Werk en Zekerheid’ (WWZ). Deze wet werd ingevoerd door toenmalige Minister Asscher (PvdA) zonder goede voorbereiding en consultatie. Deze wet was volgens de rechtsprakijk een in achterkamertjes ontworpen systeemwijziging (Sociaal Akkoord) wat tot veel ongewenste neveneffecten en uiteindelijk weinig draagvlak leidt. Gevolgen van de WWZ waren onder andere een afname van het aantal vaste contracten, waarbij het ook aanzienlijk moeilijker werd om een arbeidsovereenkomst via de rechter te ontbinden. Het huidige wetsvoorstel poogt dit dus te repareren.

Veranderingen

De meest in het oog springende –voorgenomen- wijzigingen in het voorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’ luiden:

-Ontslag wordt ook mogelijk als er sprake is van een optelsom van omstandigheden, de zogenaamde cumulatiegrond. Nu moet de werkgever volledig aan een van de acht ontslaggronden  voldoen. De nieuwe negende grond geeft de rechter de mogelijkheid omstandigheden te combineren. De werknemer kan maximaal een halve transitievergoeding extra krijgen (bovenop de transitievergoeding), wanneer de cumulatiegrond gebruikt wordt voor het ontslag.

Hiermee wordt teruggegrepen op het vóór de WWZ geldende ontslagrecht, toen ontslaggronden in combinatie met elkaar gebruikt konden worden en de ontslagvergoeding kon worden gebruikt als ‘smeermiddel’ als de redenen voor ontslag niet volledig aangetoond kunnen worden.

-Werknemers krijgen vanaf de eerste dag recht op een transitievergoeding (ontslagvergoeding), ook tijdens de proeftijd. Nu geldt dit pas vanaf een dienstverband vanaf 24 maanden.

-De opbouw van de transitievergoeding wordt verlaagd bij lange dienstverbanden. Dit wordt voor iedereen een derde maandsalaris per gewerkt jaar. Nu wordt de opbouw van de transitievergoeding ook afhankelijk gesteld van de duur van het dienstverband.

-Verlenging van de proeftijd voor werkenden die meteen een vaste contract krijgen, van twee maanden naar vijf maanden. Nu bedraagt de maximale (‘ijzeren’) proeftijd twee maanden.

– De opeenvolging van tijdelijke contracten, de zgn. ketenbepaling, wordt verruimd. Nu is het mogelijk om aansluitend drie tijdelijke contracten in twee jaar aan te gaan. Dit wordt drie jaar.

Kritiek op het wetsvoorstel

De afdeling Advisering van de Raad van State vindt dat het wetsvoorstel nader overwogen moet worden. Volgens de Afdeling blijven ook bij invoering van het wetsvoorstel te grote verschillen bestaan tussen verschillende categorieën werkenden. Volgens de Afdeling lijkt het voorstel baanzekerheid na te streven en de flexibilisering van de arbeidsmarkt tegen te willen gaan. Aan de andere kant zegt het voorstel een zekere mate van flexibiliteit van de arbeidsmarkt noodzakelijk te achten en worden de verschillen tussen vast en flexibel werk op onderdelen ook verkleind. De Afdeling acht het wetsvoorstel weinig kansrijk om een nieuwe balans op de arbeidsmarkt tot stand te brengen en adviseert om fundamenteler en inhoudelijker –dan nu gedaan is- te kijken naar het arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscale wetgeving.

Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN) en de Vereniging voor Arbeidsrecht (VvA) menen dat een nieuwe regering zich moet inzetten voor een grondige herziening van het gehele stelsel. Volgens de Vaan brengt het wetsvoorstel een aantal onevenwichtigheden van de WWZ weer in balans. Daarnaast draagt het wetsvoorstel bij aan het verkleinen van de kloof tussen vast en flex. VAAN en VvA concluderen echter dat (ook) het wetsvoorstel een vorm van symptoombestrijding is. VAAN en VvA roepen op tot een grondige herziening middels een staatscommissie. Deze zou dan als opdracht krijgen een toekomstbestendige wettelijke regeling van arbeid en inkomenszekerheid te realiseren.

De Raad voor de Rechtspraak verwacht na invoering van de wet een (tijdelijke) toename van het aantal gerechtelijke procedures. Verder meent de Raad dat invoering van de nieuwe ontslaggrond  meer ruimte biedt voor schikkingsmogelijkheden, waardoor mogelijk minder zaken aan de rechter voorgelegd behoeven te worden.

Verder

Als de Tweede Kamer het wetsvoorstel ‘Wet Arbeidsmarkt in balans’ heeft aangenomen, al dan niet in gewijzigde vorm, wordt het voorstel aan de Eerste Kamer gestuurd. De Eerste Kamer kan het voorstel niet wijzigen. Heeft de Eerste Kamer fundamentele kritiek, dan kan het voorstel door de regering wel voorzien worden van een wijziging (een ‘novelle’). Deze wijziging moet dan eerst goedgekeurd worden door de Tweede Kamer. Het kan dus even duren voordat het arbeidsrecht daadwerkelijk wordt gewijzigd in de nu voorgestelde vorm.


  • Echtscheiding, verbreking geregistreerd partnerschap en pensioen

Het pensioen is een financiële voorziening voor later, een verzekering. Pensioen wordt opgebouwd door zelf periodiek geld opzij te zetten en onder te brengen bij een financiële instelling (een pensioenverzekeraar). Dit is het ouderdomspensioen. Hiernaast bestaat ook partnerpensioen; dit is een financiële voorziening van de werkgever voor de achterblijvende partner als de andere partner (werknemer) overlijdt. Beide pensioenen worden opgebouwd via een werkgever, tijdens een dienstverband. Bij de overheid is sprake van een aanstelling als ambtenaar.

Is sprake van een echtscheiding of van verbreking geregistreerd partnerschap, dan moeten deze pensioenpotjes (pensioenaanspraken) worden verdeeld tussen de partners. Bij ouderdomspensioen heet zo’n verdeling ’verevening’. Dit is alleen anders als zo’n verdeling expliciet wordt uitgesloten. Een uitsluiting kan opgenomen zijn in huwelijkse voorwaarden, het contract van het geregistreerd partnerschap of in nadere afspraken. Hoe weet u of en zo ja hoeveel pensioen is (en wordt) opgebouwd? Dat blijkt uit het pensioenoverzicht van de financiële instelling, salarisspecificaties, en de website mijnpensioenoverzicht.nl. Soms geeft de ander geen informatie over zijn of haar pensioen en in dat geval kan de rechter deze ander opdragen (‘gelasten) om alle relevante informatie te verstrekken.

Onderscheid wordt gemaakt tussen ouderdomspensioen en (bijzonder) partnerpensioen. Beide pensioenen vallen onder verschillende wetten. Aanspraak op verevening van ouderdomspensioen bestaat voor de periode van de duur van het huwelijk. Aanspraak op verdeling van (bijzonder) partnerpensioen bestaat voor de periode van de duur van het huwelijk en de voorhuwelijkse periode. In plaats van huwelijk kan men ook lezen: geregistreerd partnerschap. Is voldaan aan voorwaarden van de pensioeninstelling, dan kan verdeling van (bijzonder) partnerpensioen ook plaatsvinden bij niet-geregistreerde partners, dus samenwoners.

Verdeling van (bijzonder) partnerpensioen vindt alleen dan plaats als dit pensioen is opgebouwd. Is sprake van een (bijzonder) partnerpensioen op risicobasis, dan is alleen het risico op overlijden verzekerd en is er geen potje met geld beschikbaar. Op de website mijnpensioenoverzicht.nl zal dan het cijfer 0 vermeld zijn. Is het partnerpensioen verzekerd op opbouwbasis, dan is er wel geld beschikbaar. Bij ouderdomspensioen is geen sprake van een opbouw op risicobasis.

Partners, gehuwden, beslissen zelf hoe zij de aanspraken op pensioen verdelen. Ze kunnen kiezen tussen een standaardverdeling; 50/50, een afwijkende verdeling en/of periode, voor afstand van aanspraken, of voor conversie waarbij voor de ander een eigen pensioenrecht ontstaat. Waar het (bijzonder) partnerpensioen betreft, moet de pensioenuitvoerder hiervoor vooraf toestemming verlenen.

Zowel bij scheiding, verbreking van het geregistreerd partnerschap en verbreking van een niet-geregistreerde relatie ((bijzonder) partnerpensioen) is het zaak om dit tijdig te melden aan de pensioenverzekeraar. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de pensioeninstantie de verdeling kan uitvoeren als de pensioenaanspraak tot uitkering komt (op het 67e levensjaar). Voor het ouderdomspensioen moet dit gebeuren binnen 2 jaar na inschrijving van de echtscheiding in het huwelijksgoederenregister. Bij het (bijzonder) partnerpensioen moet de melding gebeuren nadat de rechter de echtscheiding heeft uitgesproken.


  • Ontslag moeilijker geworden sinds 2015

Sinds 2015 is de wetgeving over het arbeidsrecht gewijzigd. Toen is de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) ingevoerd. Nu, drie jaar na invoering, hebben wetenschappers van de Erasmus Universiteit Rotterdam een onderzoek uitgevoerd naar ontbindingen van arbeidsovereenkomsten die zijn voorgelegd aan de rechter. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek luiden:

-sinds invoering van de WWZ is het aanmerkelijk moeilijker om een werknemer te ontslaan door ontbinding van diens arbeidsovereenkomst. Het ontslagrecht is -ten gunste van de werknemer- vaster geworden.

-Het percentage toegewezen billijke vergoedingen en de hoogte van de billijke vergoeding is (ten gunste van de werknemer ) sterk gestegen over de afgelopen drie jaar.

-Over de hoogte van de billijke vergoeding valt geen zinnig woord te zeggen. Dit kan alle kanten op gaan.

-de gepubliceerde rechtspraak geeft geen betrouwbaar beeld, maar een vertekend -want te hoog- beeld van beslissingen over de billijke vergoeding. Dit door de Rechtspraak geschetste onjuiste beeld valt dan ook in het voordeel van de werknemer uit.

[bron: SDU/blog/evaluatieonderzoek ontbindingspraktijk WWZ 2015-2018]
  • Omgang tussen ouder en kind is een fundamenteel mensenrecht

Na een scheiding of verbreking van een samenleving zijn ouders verplicht om omgang tussen het kind en de niet-verzorgende ouder mogelijk te maken. Niet alleen ouders zijn verplicht om omgang met de andere ouder mogelijk te maken, ook een instelling waar het kind verblijft is hiertoe gehouden. In twee recente uitspraken heeft het Gerechtshof Den Haag (de rechter in hoger beroep voor de arrondissementen Den Haag en Rotterdam) dit nog eens zeer duidelijk benadrukt.

In de eerste zaak gaat het om een vader die geen gezag heeft over zijn minderjarige kind. De rechtbank heeft het verzoek om een omgangsregeling afgewezen. Het gerechtshof is echter heel duidelijk over de uitgangspunten van het recht op omgang. Het gerechtshof: De Hoge Raad heeft bepaald dat het uitgangspunt is dat een minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het  Burgerlijk Wetboek en, wat het kind aangaat, ook door het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op enige in het Burgerlijk Wetboek limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust volgens het Burgerlijk Wetboek de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91), (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

De tweede zaak waarin het gerechtshof Den Haag zich duidelijk uitspreekt, betreft omgang tussen de ouder (de moeder) en een door de overheid uit huis geplaatst minderjarige kind wat in een instelling verblijft. Ook hier is de rechter meer dan duidelijk. Het gerechtshof: ouders(s) en kind hebben recht op omgang met elkaar. Op grond van het EVRM en het IVRK rust op de overheid en daarmee op de instelling een positieve verplichting ervoor zorg te dragen dat het familieleven zoveel als mogelijk gehandhaafd blijft. Deze positieve verplichting leidt ertoe dat alle voorbereidende maatregelen getroffen moeten worden om contact tussen ouder en het kind mogelijk te maken. Bovendien dient voortvarend te worden opgetreden, aangezien tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de relatie tussen ouder en het kind. Waar staten een grote vrijheid hebben in kinderbeschermingszaken, hebben zij juist een grote verantwoordelijkheid tot het bevorderen van contact tussen kinderen en hun ouders. Nadat een kind uit huis is geplaatst, rust er een grote verantwoordelijkheid op een staat teneinde het bezoekrecht van een ouder met het kind te waarborgen. (EHRM 29 januari 2013, nr. 25704/11 Lombardo t. Italië) (EHRM 17 juli 2014, nr. 19315/11, EHRC 2014/256, m.nt. M. Tuinman en P. Montanus (T./Tsjechië).

[bron:rechtspraak.nl/ ECLI:NL:GHDHA:2018:2549 en ECLI:NL:GHDHA:2018:2546]

Dit zijn recent gepubliceerde artikelen. Oudere artikelen zijn verwijderd ten behoeve van de toegankelijkheid.