Nieuws(blog)

8 september 2017; dag van de scheiding

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat één op de drie getrouwde stellen gaat scheiden. Voor de Nederlandse Vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS) was dit in 2010 de aanleiding om een speciale dag in het leven te roepen: de ‘Dag van de Scheiding’. Dit jaar vindt deze dag plaats op vrijdag 8 september.

[bron: Nederlandse Vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators ]

 

Meeste gescheiden vrouwen praten niet over verdeling pensioen

Twee derde van de gescheiden vrouwen in Nederland praat tijdens de scheiding niet over het verdelen van het ouderdomspensioen. Dit kan voor de vrouwen tot een flink pensioentekort leiden als de ex-partner niet verdeelt. Zo’n 45 procent van de gescheiden vrouwen denkt ten onrechte dat een scheiding geen invloed heeft op hun pensioen, blijkt uit een op 9 juni jl. gepubliceerd onderzoek van Motivaction dat in opdracht van Mijnpensioenoverzicht.nl is uitgevoerd.

Een scheiding heeft gevolgen voor het opgebouwde ouderdomspensioen van beide partners. Een derde van de vrouwen is er niet van op de hoogte dat ze daar bij een scheiding iets over kunnen (en behoren) vast te leggen. Verder blijkt dat een kwart van de ondervraagde vrouwen niet weet of zij tijdens hun huwelijk ouderdomspensioen hebben opgebouwd.

Niet automatisch

Als de vrouwen niet binnen twee jaar na echtscheiding / ontbinding van het geregistreerd partnerschap aan de pensioenuitvoerder melden dat ze gescheiden zijn/ dat het geregistreerd partnerschap is ontbonden, verloopt de uitbetaling van opgebouwd ouderdomspensioen aan de mede-rechthebbende niet meer automatisch via de pensioenuitvoerder. Het recht op hun deel van het ouderdomspensioen vervalt niet. Maar wie na twee jaar aanspraak wil maken op het opgebouwde ouderdomspensioen van de ex-partner, moet de ex-partner vragen het pensioen op de ingangsdatum uit te betalen. “Dat contact kan onprettig zijn. Deze procedure verloopt bovendien regelmatig via de rechter”, aldus Mijnpensioenoverzicht.nl. De organisatie stelt dat lang niet iedereen weet dat het recht op pensioenverdeling bestaat. “Als niemand je daarop wijst, kan dit financiële gevolgen hebben. Met in het ergste geval een flink lager pensioen dan waar je recht op hebt.”

Recht

Volgens de wet heeft een voormalige partner bij een scheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap recht op de helft van het tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap opgebouwde ouderdomspensioen van de ex-partner. Overigens is het voor scheidende stellen/ partners die hun partnerschap ontbinden mogelijk om afwijkende afspraken te maken in een (echtscheidings)convenant. Ze kunnen bijvoorbeeld een andere verdeling kiezen of afstand doen van het recht op ouderdomspensioen van de ex-partner. In zo’n convenant worden ook andere afspraken vastgelegd.

[bron: NU.nl en Motivaction.nl  09.06.2017]

Naschrift: behalve ouderdomspensioen kan ook het nabestaandenpensioen van belang zijn bij scheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Dit nabestaandenpensioen ( of  bijzonder partnerpensioen ) kent bij overlijden een aanspraak op uitkering toe aan de overblijvende partner die gescheiden is of wiens geregistreerd partnerschap is ontbonden. Op het nabestaandenpensioen zijn weer andere regels van toepassing dan op het ouderdomspensioen.

 

Kosten van rechtspraak en arbitrage

Voor bedrijven kan de gang naar de rechter een kostenpost zijn. Als het financiële belang van het probleem relatief klein is, bijvoorbeeld een paar honderd Euro, betaalt een bedrijf grofweg hetzelfde bedrag om de zaak aan de rechter voor te leggen. Bedrijven kiezen er dan soms voor om arbitrage af te spreken. Er zijn bedrijven die arbitragediensten aanbieden en hiervoor kosten rekenen die (soms maar een paar tientjes) liggen onder de kostprijs voor een juridische procedure bij de rechtbank. Bij arbitrage wordt het juridische probleem niet voorgelegd aan de rechter, maar aan een of meer arbiters; dit zijn geen rechters. De uitspraak van de arbiter(s) bindt de partijen. Wordt de uitspraak niet nageleefd, dan moet de rechtbank eerst haar goedkeuring (‘exequatur’) hechten aan de uitspraak, voordat naleving kan worden afgedwongen. En hier wringt de schoen nogal eens.

Bedrijven die goedkope arbitragediensten aanbieden, houden hun kosten laag met een minimum aan werkzaamheden. De arbitrage-uitspraken van deze bedrijven worden hierdoor ook minimaal ingekleed. Als zo’n uitspraak ter goedkeuring aan de rechter wordt voorgelegd, bekijkt de rechter of de uitspraak aan alle eisen van de wet voldoet. De rechter is geen stempelautomaat. Het komt nogal eens voor dat de rechtbank haar goedkeuring aan een arbitrage-uitspraak onthoudt omdat de uitspraak strijdt met de Nederlandse rechtsorde. Zo ook recentelijk de rechtbank Amsterdam in een zaak tussen CZ Zorgverzekeraar en een aantal individuele ‘wanbetalers’. In de arbitrage-uitspraak was niet aangegeven wie welk bedrag moest betalen. Er was alleen een totaalbedrag vermeld. De afzonderlijk verschuldigde bedragen werden in de uitspraak niet herleid tot de individuele schuldeisers. Hierdoor werd de mogelijkheid geschapen om hogere bedragen te incasseren dan de daadwerkelijk door iedere schuldenaar verschuldigde bedragen. De rechter weigerde dan ook de gevraagde goedkeuring.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:RBAMS:2017:2424]

Goedkoop is duurkoop en kwaliteit heeft zijn prijs, zijn uitspraken die bij dit geval passen. Anderzijds geldt ook dat rechtspraak en rechtsbijstand betaalbaar moeten blijven. Relatief hoge griffierechten blokkeren toegang tot de rechter. Bedrijven zoeken dan andere wegen. Met name in ‘kleine’ zaken met een relatief gering financieel belang heeft rechtspraak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter de voorkeur boven bedrijfsarbitrage. Ook bedrijven hebben hierbij baat. Bescherming van de zwakke particuliere wederpartij tegenover –in dit geval- een grote verzekeraar wordt hierdoor gewaarborgd.

 

Controle partneralimentatie; inspanningsverplichting ontvanger

Op 14 april jl. heeft het gerechtshof Den Bosch een uitspraak gedaan over de inspanningsverplichting van de ontvanger van partneralimentatie. De rechter heeft aangegeven dat een ontvanger van partneralimentatie (de onderhoudsgerechtigde) verplicht is om zich in te spannen om andere inkomsten te verwerven. Gebeurt dit niet of in onvoldoende mate, dan kan de partneralimentatie worden beëindigd op verzoek van de betaler (onderhoudsplichtige).

In de betreffende zaak ging het om een echtscheidingsbeslissing waarin de rechtbank in 2010 ten behoeve van de vrouw een partneralimentatie vastgesteld. Na vijf jaar vroeg de man om deze alimentatie te beëindigen. Volgens de man had de vrouw niet alles in het werk gesteld om vervangend inkomen te verkrijgen. Zo had de vrouw niet voldoende gesolliciteerd. De vrouw heeft zich verweerd tegen de gevraagde beëindiging, maar het gerechtshof volgt de man. Volgens het gerechtshof is het uitgangspunt van de wet dat elke ex-echtgenoot die alimentatie krijgt alles in het werk moet stellen om voldoende inkomsten te verwerven voor het eigen levensonderhoud. Dit heeft de vrouw niet gedaan en dit komt voor haar eigen risico. Zij krijgt niet langer partneralimentatie.

Uit de uitspraak van het hof volgt dat de aanspraak op partneralimentatie inspanningen van de onderhoudsgerechtigde met zich meebrengt. De aanspraak is niet onbeperkt van duur. In deze zaak is de alimentatieduur 5 jaar geweest, terwijl de wettelijke alimentatieduur 12 jaar was. Het hof staat niet alleen in deze opvatting. Het gerechtshof Den Haag [ECLI:NL:GHDHA:2016:2308] heeft in 2016 geoordeeld dat een tijdsverloop van vijf jaar voldoende is om een toetsing van de inspanningsverplichting te laten plaatsvinden. Volgens dit hof heeft de alimentatieplichtige het recht om zo’n periodieke toets te laten uitvoeren. Eerder heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [ECLI:NL:GHARL:2015:4489] ook al bepaald dat de onderhoudsgerechtigde een inspanningsverplichting heeft.

Voor zowel ontvangers van- als betalers van partneralimentatie is het zinvol om periodiek te laten beoordelen of nog voldaan wordt aan de voorwaarden waaronder partneralimentatie wordt betaald of ontvangen. Dit kan zeer veel geld schelen.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:GHSHE:2017:1583]

 

Bescherming zzp’er tegen concurrentie- en relatiebedingen

De Hoge Raad der Nederlanden (de Hoge Raad) heeft op 14 april jl. een uitspraak gedaan over de bescherming van zzp’ers die als uitzendkracht hebben gewerkt.

Waar gaat het om? In de uitzendovereenkomst tussen uitzendwerkgever en uitzendkracht kan een non-concurrentie- en/ of relatiebeding staan. Zo’n beding beperkt de mogelijkheid om elders te werken na het eindigen van de overeenkomst. De wet biedt echter bescherming aan uitzendkrachten die na het eindigen van de uitzendovereenkomst in dienst treden van het bedrijf waar ze hebben gewerkt (de inlener). Als in de uitzendovereenkomst tussen uitzendwerkgever en uitzendkracht een non-concurrentie- en/ of relatiebeding is opgenomen, bepaalt de wet dat zo’n beding (een belemmering) niet geldig is. De voormalige uitzendwerkgever kan zo’n belemmering dus niet inroepen tegen de voormalige uitzendkracht die als werknemer in dienst treedt bij de inlener.

Duidelijk, maar hoe zit dit met voormalige uitzendkrachten die als zzp’er gaan werken? In de zaak bij de Hoge Raad ging het ook om een voormalige uitzendovereenkomst met een non-concurrentie- en relatiebeding (belemmerende bedingen).  De voormalige uitzendkracht werkt nu als zzp’er (niet als werknemer) voor de voormalige inlener. De vraag was of de zzp’er gebonden is aan de belemmerende bedingen. De voormalige uitzendwerkgever vond van wel en vorderde boetes op basis van overtreding van de belemmerende bedingen.

De Hoge Raad is van mening dat de arbeidsrechtelijke bescherming van voormalige uitzendkrachten zich niet alleen uitstrekt tot diegenen die in dienst (een arbeidsovereenkomst) treden bij een voormalige inlener. Ook bij een arbeidsverhouding (dus geen arbeidsovereenkomst) geniet de voormalige uitzendkracht bescherming. Met betrekking tot het begrip arbeidsverhouding overweegt de Hoge Raad onder andere: ”…het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding is dat een persoon gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een vergoeding ontvangt…”. Als de relatie tussen de zzp’er en de inlener aangemerkt wordt als arbeidsverhouding, geniet de zzp’er dus bescherming tegen belemmerende bedingen in de voormalige uitzendovereenkomst. Het is aan een andere rechter om uit te zoeken of sprake is van een arbeidsverhouding tussen zzp’er en inlener.

[bron: rechtspraak.nl/ ECLI:NL:HR:2017:689]

 

Het brommertje was allang gedumpt, maar de boetes bleven komen

In dit artikel van F. Schravesande op de website van NRC Handelsblad (nrc.nl 24 april 2017), belicht deze onder andere de wijze waarop het Openbaar Ministerie omgaat met lichte strafzaken als overtredingen en kleine misdrijven. Het artikel is gebaseerd op het recente proefschrift van universitair docent en onderzoeker J.W.M. Lindeman (gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht op 21 april jl.).

Het proefschrift van Lindeman geeft een goed beeld van de manier waarop het Openbaar Ministerie handelt en beslist, overlegt en meebestuurt. Het proefschrift is zeer lezenswaardig voor iedereen die met strafrecht te maken heeft.

In het artikel van NRC wordt met name ingegaan op lichte strafzaken. Deze worden afgedaan door computers en niet-juridisch geschoolde (mbo – opgeleide) medewerkers. De nadruk ligt op het stroomlijnen van werkprocessen. Efficiency staat voorop. Het gevolg is dat ten onrechte boetes worden opgelegd en schikkingsvoorstellen worden gedaan. Vorig jaar bleek dat in bijna een kwart van 45.000 verzetsprocedures, aangespannen omdat een verdachte het niet eens was met het strafvoorstel dat justitie deed, de rechter alsnog tot vrijspraak besloot. Gemakkelijk te bewijzen zaken worden bovendien vaker aan de rechter voorgelegd dan –voor het O.M.- moeilijke zaken.

[bron: J.M.W. Lindeman, Officieren van justitie in de 21e eeuw – Een verslag van participerend observatieonderzoek naar de taakopvatting en taakinvulling van officieren van justitie, Pompe Reeks ; 84]

 

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen

Op 28 maart 2017 heeft de Eerste Kamer (der Staten Generaal) na stemming een wetsvoorstel tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen aangenomen. Het voorstel van de Tweede Kamerleden Swinkels (D66), Recourt (PvdA) en Van Oosten (VVD)  beperkt in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen in het huwelijksvermogensrecht. Het voorstel was al aangenomen door de Tweede Kamer (der Staten Generaal).

Met dit voorstel wordt onder meer het verhaal van privéschuldeisers op gemeenschapsgoederen geregeld en bekeken hoe het ondernemingsvermogen van één van de echtgenoten binnen de gemeenschap van goederen valt. Daarnaast wordt de regeling over de draagplicht van schulden aangepast. Alle voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen als ook alle gemeenschappelijke schulden vallen in de gemeenschap. Deze schulden kunnen als gemeenschapsschulden worden aangemerkt, ook al zijn zij niet aangegaan ten behoeve van een gemeenschappelijk goed.

Nu het wetsvoorstel is aanvaard in de Eerste Kamer gaat het naar het Kabinet van de Koning voor ondertekening door de Koning. Vervolgens gaat het naar het ministerie waar de betrokken bewindspersoon ondertekend. Dit laatste is het zogenaamde ‘contraseign’. Daarna wordt de wet geplaatst (afgekondigd) in het Staatsblad. De zorg daarvoor berust bij de minister van Justitie. De inwerkingtreding kan worden geregeld in de wet zelf, bij Koninklijk besluit of bij een aparte wet inzake de inwerkingtreding. Soms treden onderdelen van een wet op afzonderlijke tijdstippen in werking.

[bron: Eerste Kamer der Staten Generaal / www.eerstekamer.nl]

 

Ambtenaar maar ook overheidswerknemer

Op 28 maart 2017 is de ‘Wet normalisering rechtspositie ambtenaren’ (‘de wet’) bekend gemaakt in het Staatsblad. Bekendmaking van een wet gaat vooraf aan inwerkingtreding. Na inwerkingtreding (gepland in 2020) is de wet van toepassing.

In de wet wordt de rechtspositie van zo’n 800.000 ambtenaren gelijkgesteld met ‘normale’ werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. De wet vloeit voort uit een initiatief wetsvoorstel uit 2010 van de Tweede Kamerleden van D’66 (F.Koşer Kaya) en CDA (Y.J.v.Hijum). De wet introduceert een nieuwe definitie voor ambtenaar: degene die krachtens een arbeidsovereenkomst met een overheidswerkgever werkzaam is. Ook wordt de term ‘overheidswerkgever’ geïntroduceerd. Hieronder worden onder andere begrepen: de staat, provincies en gemeenten. De overheidswerkgever sluit geen arbeidsovereenkomst met ambtenaren die een speciale taak vervullen zoals onder andere politie, militairen, rechters, officieren van justitie. Zij blijven dus ambtenaar, werkzaam op basis van een aanstelling door de overheid.

De consequentie van de wet is dat het ‘normale’ arbeidsrecht (de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht; Boek 7, titel 10 Burgerlijk Wetboek) van toepassing wordt op zo’n 800.000 ambtenaren-overheidswerknemers en hun overheidswerkgevers. Naast de rechtsbescherming in het Burgerlijk Wetboek, genieten ambtenaren-overheidswerknemers echter ook aanvullende rechtsbescherming. De overheidswerkgever heeft op basis van de wet ook verplichtingen op het gebied van integriteitsbeleid en moet een procedure voor klokkenluiders tot stand brengen. Omdat de aanstelling vervalt, zal met alle ambtenaren een arbeidsovereenkomst aangegaan worden. Het valt te betwijfelen of de aanstelling van alle betrokken ambtenaren in eenmaal omgezet kan worden in een arbeidsovereenkomst. Uitgangspunt in het arbeidsrecht is immers het beginsel van contractsvrijheid, waarbij niemand gedwongen kan worden om arbeid te verrichten. Ook de rechtspositieregeling (het ambtenarenreglement) vervalt. In plaats hiervan zullen collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten worden en toepasselijk worden op de rechtspositie van de ambtenaren.

Behalve deze aanvullende rechtsbescherming legt de wet ook enige aanvullende verplichtingen op aan de ambtenaar. Deze blijft in zoverre een overheidswerknemer met een bijzondere status.

Vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet in 2020 wordt deze van toepassing op de hierin vermelde ambtenaren-overheidswerknemers. Bestaande arbeidsvoorwaarden van ambtenaren worden geëerbiedigd en wijzigen niet. Vanaf het moment van inwerkingtreding kunnen geschillen tussen ambtenaar en overheidswerkgever voorgelegd worden aan de burgerlijke rechter (in beginsel de sector kanton van de rechtbank). De ambtenarenrechter komt er voor deze categorie ambtenaren niet meer aan te pas. Niet meer het bestuursrecht, maar het burgerlijk recht wordt van toepassing. Er moet echter nog veel gebeuren. De overheid moet cao’s gaan afsluiten, er moeten nieuwe arbeidsovereenkomsten worden opgesteld en afgesloten. Dit moet gebeuren op basis van het geldende cao- en arbeidsrecht. In zoverre kunnen ambtenaren-overheidswerknemers zich al voor inwerkingtreding beschermd achten door- en de bescherming inroepen van het geldende burgerlijke arbeidsrecht. De inwerkingtreding van de wet is gepland op 1 januari 2020.

 

Geloofsuitingen op de werkvloer; wel/ geen discriminatie

21 maart 2017; het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft vorige week een belangrijke uitspraak gedaan over het dragen van een hoofddoek als geloofsuiting op de werkvloer. De zaak ging over een vrouwelijke werkneemster die vast van plan was om –als geloofsuiting- tijdens werkuren een hoofddoek te gaan dragen. Haar werkgever wenste dit niet. Volgens de werkgever druist het zichtbaar dragen van politieke, filosofische of religieuze tekens in tegen de neutraliteit van de onderneming. De werkneemster hield desalniettemin vast aan dit voornemen en zij werd ontslagen. In de ontslagprocedure bij de nationale (Belgische) rechter, heeft deze een aantal vragen over de uitleg van een toepasselijke Europese richtlijn voorgelegd aan het HvJ-EU.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de vragen van de Belgische rechter over de uitleg van de Europese richtlijn beantwoord in een prejudiciële beslissing. Het HvJ-EU legt de richtlijn aldus uit, dat het verbod om een islamitische hoofddoek te dragen, geen directe discriminatie op basis van godsdienst of overtuiging in de zin van die richtlijn vormt.  Voorwaarde hierbij is dat het verbod voortvloeit uit een interne regel die voorziet in een verbod op het zichtbaar dragen van enig politiek, filosofisch of religieus teken op het werk. In dat geval is er geen directe discriminatie op basis van godsdienst of overtuiging in de zin van die richtlijn.

Hieraan voegt het HvJ-EU echter wel toe dat de betreffende regel onder omstandigheden indirecte discriminatie in de zin van de richtlijn kan vormen. Volgens het Hof moet de Belgische rechter nagaan of een ogenschijnlijk neutrale verplichting in feite tot gevolg heeft dat de personen die een bepaalde godsdienst aanhangen of een bepaalde overtuiging hebben bijzonder worden benadeeld, tenzij die verplichting objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, zoals het nastreven door de werkgever, in de relaties met zijn klanten, van een beleid van politieke, filosofische en religieuze neutraliteit, en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. In zoverre moet de Belgische rechter nog oordelen over de vraag of het verbod van de werkgever neerkomt op indirecte discriminatie.

[bron: Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Grote kamer), zaak C‑157/15 -14 maart 2017 ECLI:EU:C:2017:203]

 

Alimentatie na verbreking samenwoning

Een alimentatieverplichting of onderhoudsplicht jegens de voormalige partner ontstaat alleen na een echtscheiding of na ontbinding van een geregistreerd partnerschap. Het komt echter voor dat ook samenwoners, dus partners welke niet zijn getrouwd en geen geregistreerd partnerschap hebben gesloten, een alimentatieverplichting met elkaar afspreken. Hierover gaat een uitspraak van het gerechtshof Den Haag. In dat geval hadden de samenwoners in een notarieel opgemaakt samenlevingscontract een wederzijdse alimentatieverplichting opgenomen. De vrouwelijke ex-partner maakte na beëindiging van de samenwoning aanspraak op alimentatie, maar de mannelijke ex-partner verzette zich hiertegen, onder andere omdat hij vond dat het samenlevingscontract geen grond bood voor een alimentatieverplichting jegens de vrouw (ook al was in het samenlevingscontract hierover een duidelijke bepaling opgenomen).

Anders dan na een echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap, is in de wet niets geregeld over alimentatie na verbreking van een samenwoning. Als een ex-partner een heel andere betekenis toekent aan een samenlevingscontract, moet de rechter de regels van het overeenkomstenrecht toepassen. De rechter kijkt dan naar de inhoud van het samenlevingscontract, de bedoelingen van partijen en de omstandigheden van het geval. Dit wordt ook wel aangeduid als ‘de Haviltexmaatstaf’. Dat deed het gerechtshof ook in deze zaak en zij oordeelde dat er wel sprake was van een alimentatieovereenkomst. Tot zover ging het nog goed voor de vrouw. Het ging mis voor haar bij de inhoudelijke beoordeling. Een behoefte aan alimentatie; waaruit blijkt dat je hoeveel alimentatie nodig hebt, moet ook onderbouwd worden. Dit had de vrouw echter niet, of in ieder geval onvoldoende gedaan. Het gerechtshof wees de vordering van de vrouw dan ook af.

[bron: rechtspraak.nl / ECLI:NL:GHDHA:2016:4299]

Omdat de wet niets regelt voor samenwoners op het onderwerp alimentatie, kunnen geschillen hierover zorgen voor nieuwe problemen. Als samenwoners denken dat een notarieel opgemaakt samenlevingscontract alle duidelijkheid verschaft, kunnen zij van een koude kermis thuiskomen. De rechter behandelt zo’n overeenkomst als een ‘gewone’ overeenkomst. De rechter kan eerst aan de hand van de Haviltexmaatstaf de inhoud uitleggen, voordat zij toekomt aan de vraag of behoefte bestaat aan alimentatie en zo ja of de onderhoudsplichtige andere partner deze alimentatie ook kan (draagkracht) en moet betalen. Zie hiervoor ook de uitspraken van de volgende gerechtshoven: ECLI:NL:GHARN:2007:BC3961, GHARN:2012:BX2068 en GHARL:2016:8096.

Dit zijn de recent gepubliceerde artikelen. Oudere artikelen, waarvan de kopjes hieronder worden vermeld, zijn ten behoeve van de toegankelijkheid van deze site van deze pagina verwijderd.

Webwinkels en het consumentenrecht / Stormschade/ Wintersportvakantie en annulering/ Alimentatie; de noodzakelijke en tijdige onderbouwing met gegevens/ Verdeling na echtscheiding/ De Hoge Raad over de voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst na een ontslag op staande voet/ Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens detentie; h-grond/ Vrouwen verliezen 25% koopkracht bij scheiding/ Indexering alimentatie 2017/ Billijke vergoeding bij ontbinding; het muizengaatje/ Handelen werkgever en werknemer/ Rapport Staatscommissie Herijking Ouderschap/ Het Ouderschapsplan/ Incassokosten/ Beperk nachtvluchten op vliegveld Rotterdam/ Rechtbanken: een nieuwe aanpak van ‘vechtscheidingen’